ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1655
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onmiddellijke opheffing van vreemdelingenbewaring na negen maanden wegens onvoldoende belangenafweging
Eiser is op 26 maart 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na ruim negen maanden heeft eiser beroep ingesteld tegen de voortzetting van deze maatregel en tegen het verlengingsbesluit van 14 december 2010.
De rechtbank beoordeelt of de bewaring na zes maanden, zoals bepaald in artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn, gerechtvaardigd kan worden voortgezet. De Nederlandse staat had de richtlijn nog niet geïmplementeerd, maar de rechtbank oordeelt dat de bepalingen voldoende duidelijk zijn om rechtstreeks toe te passen.
De rechtbank stelt vast dat openbare orde en criminele antecedenten geen zelfstandige grond vormen voor verlenging na zes maanden. De belangenafweging moet zich richten op het niet meewerken van eiser aan zijn uitzetting. Hoewel eiser het onderzoek naar zijn identiteit frustreert, weegt dit niet langer op tegen de duur van de bewaring.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt onmiddellijke opheffing van de bewaring, wijst het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring na ruim negen maanden wegens onvoldoende rechtvaardiging van voortzetting.