ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1836
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren vreemdelingenbewaring en verlengingsbesluit onder Terugkeerrichtlijn
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep van een vreemdeling uit Azerbeidzjan tegen het voortduren van zijn vreemdelingenbewaring. De termijn voor implementatie van de Terugkeerrichtlijn was verstreken, waardoor rechtstreeks werkende bepalingen aan de nationale rechter kunnen worden voorgelegd. De rechtbank overwoog dat bewaring als ultimum remedium geldt en dat de bewaring gerechtvaardigd is gezien het illegale verblijf van eiser.
De rechtbank bevestigde de eerdere uitspraak van 2 augustus 2010 waarin de rechtmatigheid van de inbewaringstelling werd vastgesteld en dat er voldoende grond was om ernstig te vermoeden dat eiser zich aan uitzetting zou onttrekken. Er waren geen gewijzigde omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigden.
Met betrekking tot het verlengingsbesluit overwoog de rechtbank dat de Vreemdelingenwet 2000 geen maximumtermijn stelt en dat het besluit om bewaring na zes maanden te laten voortduren niet in strijd is met de richtlijn. Het ontbreken van een beroepsmogelijkheid tegen het verlengingsbesluit berust op een beleidskeuze van de wetgever.
Verder stelde de rechtbank vast dat er een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat, mede door toezeggingen omtrent het verkrijgen van een laissez passer. De stellingen over strijdigheid met het EVRM waren onvoldoende onderbouwd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.