ECLI:NL:RBSGR:2011:BP2248
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste beoordeling geloofwaardigheid vermoedens
Eiser, een Iraakse asielzoeker, kreeg in 2007 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd toegekend. Verweerder trok deze vergunning in 2010 in vanwege het beëindigen van het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak en het ontbreken van voldoende bewijs voor een gegronde vrees bij terugkeer.
De rechtbank oordeelt dat verweerder bij de beoordeling van de vermoedens van eiser over het risico van eerwraak bij terugkeer een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Verweerder maakte geen onderscheid tussen de feitelijke gebeurtenissen (veronderstellingen) en de vermoedens over toekomstige risico's, en beoordeelde deze uitsluitend op basis van plausibiliteit en zwaarwegendheid, zonder de geloofwaardigheid van de veronderstellingen te toetsen.
De rechtbank stelt dat de geloofwaardigheid van zowel de feitelijke gebeurtenissen als de daaraan ontleende veronderstellingen beoordeeld moet worden volgens de Vreemdelingencirculaire 2000. Omdat verweerder dit niet heeft gedaan, kan het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning niet in stand blijven.
Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan door rechter J.J.W.P. van Gastel op 13 januari 2011.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd wegens onjuiste beoordeling van de geloofwaardigheid van vermoedens.