ECLI:NL:RBSGR:2011:BP2537

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
21 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201010182/1/V1
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • B. van Wagtendonk
  • M.A.A. Mondt Schouten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.51 Vb 2000Art. 14 Vb 2000Art. 18 Vreemdelingenwet 2000Art. 19 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht bij feitelijke verbreking relatie

De vreemdeling had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verbonden aan het voortgezet verblijf in het kader van gezinshereniging. De staatssecretaris van Justitie trok deze vergunning met terugwerkende kracht per 16 februari 2006 in, omdat de relatie tussen de vreemdeling en zijn echtgenote feitelijk was verbroken en de vreemdeling niet langer voldeed aan de voorwaarden waaronder de vergunning was verleend.

De vreemdeling voerde aan dat hij vanaf 1 maart 2006 weer bij zijn echtgenote woonde, hetgeen volgens hem betekende dat de relatie niet definitief was verbroken. De rechtbank gaf hem daarin gelijk en vernietigde de besluiten van de staatssecretaris. De minister stelde echter hoger beroep in tegen deze uitspraak.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht uitging van de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA), waaruit bleek dat de vreemdeling en zijn echtgenote tussen 16 februari 2006 en 7 juli 2006 niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Het feit dat de vreemdeling post ontving op het adres van de echtgenote in die periode, deed hieraan niet af. De intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht was daarom terecht.

Daarnaast wees de Afdeling het verzoek van de vreemdeling om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning af, omdat hij niet voldeed aan de eis van drie jaar verblijf zoals gesteld in artikel 3.51 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de beroepen van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 16 februari 2006 wordt bevestigd en het hoger beroep van de minister gegrond verklaard.

Uitspraak

201010182/1/V1.
Datum uitspraak: 21 januari 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 28 september 2010 in zaken nrs. 09/12703 en 09/12706 in de gedingen tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 21 oktober 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en deze verblijfsvergunning ingetrokken.
Bij onderscheiden besluiten, verzonden op 11 maart 2009, heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 28 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de eerste en de tweede grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich niet zonder aanvullende, op objectieve gegevens gebaseerde motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de huwelijksrelatie tussen de vreemdeling en zijn toenmalige echtgenote (hierna: de echtgenote) op 16 februari 2006 definitief is verbroken, nu niet is weersproken dat de vreemdeling vanaf 1 maart 2006 weer is gaan samenwonen met de echtgenote, hetgeen tot 10 mei 2007 heeft geduurd. De minister betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de onderscheiden besluiten van 11 maart 2009 zijn gestoeld op het feit dat de relatie tussen de vreemdeling en de echtgenote op 16 februari 2006 is verbroken en dat de vreemdeling eerst op 7 juli 2006 weer bij de echtgenote is gaan wonen. De vreemdeling is er niet in geslaagd aan te tonen dat hij tussen 1 maart 2006 en 7 juli 2006 feitelijk met de echtgenote heeft samengewoond, zodat de staatssecretaris in voormelde besluiten terecht is uitgegaan van de informatie uit de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA), aldus de minister. Voorts betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de verbreking van de relatie definitief moet zijn, alvorens tot intrekking van de verblijfsvergunning kan worden overgegaan.
2.1.1. Ingevolge artikel 19 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, voor zover thans van belang, kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden Pro afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.
Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14, onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht.
Volgens paragraaf B2/9.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden. Daarvan zal met name sprake zijn ingeval van verbreking van de (huwelijks)relatie. Er is sprake van een verbreking van de (huwelijks)relatie, indien de (huwelijks)relatie op grond waarvan verblijf was toegestaan feitelijk of juridisch is verbroken. Dit kan onder meer blijken uit het feit dat de desbetreffende vreemdeling en de hoofdpersoon niet meer op hetzelfde adres in de GBA staan ingeschreven of uit het feit dat de partners naar buiten toe verschillende adressen voeren.
2.1.2. De staatssecretaris heeft zich in de onderscheiden besluiten van 11 maart 2009, waarbij de onderscheiden besluiten van 21 oktober 2008 zijn gehandhaafd, terecht op het standpunt gesteld dat uit informatie uit de GBA is gebleken dat de vreemdeling en de echtgenote vanaf 16 februari 2006 tot 7 juli 2006 niet meer op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Volgens de staatssecretaris voldeed de vreemdeling in die periode niet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan hem is verleend. Eerst vanaf 7 juli 2006 heeft de vreemdeling zich volgens de staatssecretaris opnieuw ingeschreven op het adres van de echtgenote. De staatssecretaris heeft zich voorts in voormelde besluiten terecht op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling bij brief van 11 februari 2009 overgelegde poststukken niet tot een ander standpunt leiden, zodat moet worden uitgegaan van de gegevens zoals die volgen uit de GBA. Uit de overgelegde stukken blijkt weliswaar dat de vreemdeling in de periode van 1 maart 2006 tot 7 juli 2006 post ontving op het adres van de echtgenote, maar de vreemdeling heeft eveneens stukken overgelegd waaruit blijkt dat tot september 2008 post voor hem naar het adres van de echtgenote is verzonden, terwijl de vreemdeling heeft verklaard dat het huwelijk met de echtgenote op 10 mei 2007 definitief is verbroken en hij volgens de GBA vanaf die datum niet meer bij de echtgenote woonde. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris derhalve terecht weersproken dat de vreemdeling vanaf 1 maart 2006 weer is gaan samenwonen met de echtgenote.
Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 26 maart 2007 in zaak nr. 200609070/1 (www.raadvanstate.nl) heeft overgewogen, volgt uit het stelsel van de wet dat de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid aan de staatssecretaris om een verblijfsvergunning in te trekken tevens heeft beoogd een besluit tot intrekking te kunnen laten terugwerken tot het tijdstip waarop niet meer werd voldaan aan de beperking waaronder die verblijfsvergunning was verleend. De staatssecretaris heeft zich, gelet op de informatie uit de GBA, terecht, in overeenstemming met het beleid weergegeven in 2.1.1, op het standpunt gesteld dat de relatie tussen de vreemdeling en de echtgenote op 16 februari 2006 feitelijk was verbroken en dat de vreemdeling op die datum niet voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan hem was verleend. Dat de vreemdeling en de echtgenote de relatie hebben hervat en de vreemdeling vanaf 7 juli 2006 weer bij de echtgenote is gaan wonen, doet niet af aan de omstandigheid dat de vreemdeling voor laatstgenoemde datum niet voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning was verleend. De staatssecretaris heeft derhalve terecht de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 16 februari 2006 ingetrokken. Voorts heeft de staatssecretaris terecht de aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning in 'verband houdend met voortgezet verblijf' afgewezen, aangezien de vreemdeling niet voldeed aan de in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 gestelde eis van drie jaar verblijf.
De grieven slagen.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van de vreemdeling tegen de onderscheiden besluiten van 11 maart 2009 van de staatssecretaris van Justitie alsnog ongegrond verklaren.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 28 september 2010 in zaken nrs. 09/12703 en 09/12706;
III. verklaart de door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.A.A. Mondt Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter w.g. Schaaf
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011
523.
Verzonden: 21 januari 2011
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser