ECLI:NL:RVS:2007:BA3399
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht door Raad van State
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen het besluit van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie om diens verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 16 september 2004 in te trekken. De minister had het bezwaar van appellant tegen deze intrekking ongegrond verklaard en de rechtbank had het beroep van appellant eveneens ongegrond verklaard.
Appellant stelde dat de intrekking met terugwerkende kracht niet binnen het systeem van de Vreemdelingenwet 2000 past, omdat deze bevoegdheid niet expliciet in de wet is opgenomen. De Raad van State overwoog echter dat uit het stelsel van de wet, met name de gronden voor intrekking en de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels, volgt dat de wetgever heeft beoogd dat een intrekking met terugwerkende kracht mogelijk is.
De overige grieven van appellant werden niet inhoudelijk behandeld omdat deze geen vragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht bevestigd.