ECLI:NL:RBSGR:2011:BP2867
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Schorsing tenuitvoerlegging teruggeleiding minderjarigen in kinderontvoeringszaak
De zaak betreft een geschil tussen de moeder en de vader over de teruggeleiding van drie minderjarige kinderen naar Griekenland, waarbij het hof de moeder heeft gelast mee te werken aan deze teruggeleiding. De moeder verzoekt in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging vanwege juridische misslagen en een noodtoestand.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een juridische misslag of noodtoestand die schorsing rechtvaardigt. Wel is er een gerede kans dat de moeder in cassatie niet ontvankelijk wordt verklaard als de kinderen al zijn teruggeleid, wat een onaanvaardbare doorkruising van artikel 6 EVRM Pro betekent. Het belang van de minderjarigen, die het grootste deel van hun leven in Nederland hebben gewoond, weegt hierbij zwaar.
De Staat heeft onvoldoende zwaarwegend belang bij onverwijlde teruggeleiding, ondanks het karakter van het HKOV. Daarom wordt de tenuitvoerlegging van het hofbesluit geschorst totdat de Hoge Raad over het cassatieberoep heeft beslist. De moeder wordt in het gelijk gesteld en de Staat veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De tenuitvoerlegging van de teruggeleiding van de minderjarigen wordt geschorst totdat de Hoge Raad over het cassatieberoep heeft beslist.