ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9455
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- D.A. Verburg
- M. Ramsaroep
- C.A. Zijlstra
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring van Afghaanse oud-politieke leiders wegens betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen
Eisers, voormalige leden van de top van het communistische partij- en staatsapparaat in Afghanistan, werden door de Nederlandse minister van Justitie ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag vanwege hun vermeende betrokkenheid bij ernstige mensenrechtenschendingen.
De rechtbank onderzocht de functies die eisers tussen 1980 en 1992 vervulden binnen het Centraal Comité, de Revolutionaire Raad en het Politbureau van de Democratische Volkspartij van Afghanistan. Op basis van ambtsberichten en aanvullend onderzoek concludeerde de rechtbank dat eisers zowel persoonlijke deelname als kennis hadden van de misdrijven gepleegd door het regime, waarmee zij aan de criteria van knowing and personal participation voldeden.
Eisers voerden aan dat zij niet betrokken waren bij militaire of veiligheidszaken en dat het bewijs onvoldoende was, maar de rechtbank verwierp deze stellingen. Ook het beroep op het gezag van gewijsde, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel faalden. De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro (gezinsleven) niet leidde tot een andere uitkomst, mede omdat de ernst van de tegengeworpen feiten zwaarder woog.
De rechtbank bevestigde dat de verblijfsvergunningen van eisers met terugwerkende kracht waren ingetrokken en dat hun verblijf in Nederland zonder vergunning was. Ondanks hun langdurige verblijf kon dit geen reden zijn om hen alsnog verblijf toe te staan. Het beroep werd ongegrond verklaard en de ongewenstverklaring gehandhaafd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de ongewenstverklaring van eisers wegens hun betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen.