ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5320
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Beëindiging voortduring vreemdelingenbewaring na tien maanden wegens disproportionaliteit
Eiser is op 4 juni 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na meerdere eerdere ongrondverklaringen van beroepen tegen de bewaring, heeft eiser op 22 maart 2011 beroep ingesteld tegen de voortzetting van deze maatregel. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 6 april 2011.
De rechtbank overweegt dat het feit dat eiser ongewenst is verklaard onder de Terugkeerrichtlijn geen grond kan zijn voor voortduring van de bewaring na zes maanden. Dit volgt uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. Hoewel eiser het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit actief en passief frustreert en aliassen gebruikt, weegt dit niet op tegen de lange duur van de bewaring.
De rechtbank stelt vast dat na zes maanden vrijheidsontneming het belang van de vreemdeling om in vrijheid te zijn doorgaans zwaarder weegt dan het belang van de overheid bij voortzetting. De bewaring duurt inmiddels tien maanden, en er is geen zicht op uitzetting. Daarom beveelt de rechtbank onmiddellijke opheffing van de bewaring, kent schadevergoeding toe aan eiser en veroordeelt de Staat in proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring na tien maanden en kent schadevergoeding en proceskosten toe aan eiser.