ECLI:NL:RVS:2011:BP9560
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State in hoger beroep tegen verlenging vreemdelingenbewaring
De vreemdeling was in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en de bewaringstermijn was verlengd met twaalf maanden. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het voortduren van de bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de richtlijn 2008/115/EG van toepassing is op illegaal verblijvende vreemdelingen en dat de maximale bewaringstermijn zes maanden bedraagt, met een mogelijke verlenging van maximaal twaalf maanden onder strikte voorwaarden. De nationale wetgeving, met name artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, biedt geen rechtsgrondslag voor bewaring langer dan achttien maanden in strijd met de richtlijn.
De Afdeling concludeerde dat het verlengingsbesluit een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is, maar dat tegen de uitspraak van de rechtbank over de verlenging geen hoger beroep openstaat volgens artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Er is geen sprake van een uitzondering die de Afdeling bevoegd maakt. Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van richtlijnconforme uitleg van nationale wetgeving en bevestigt de beperkingen in de rechtsgang tegen verlengingen van vreemdelingenbewaring.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de verlenging van de vreemdelingenbewaring.