ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5611

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11/5579 BEPTDN
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:77 Algemene wet bestuursrechtArt. 15 Richtlijn 2008/115/EGArt. 20 Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen terugkeerbesluit en bewaring vreemdeling

Eiser, een vreemdeling van onbekende nationaliteit, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een daarop volgende bewaring. Hij stelde dat het terugkeerbesluit onvoldoende was gemotiveerd en dat zijn bewaring onrechtmatig was, mede omdat hij al ongeveer zes maanden in bewaring zat en niet met zekerheid kon worden teruggestuurd naar Marokko.

De rechtbank overwoog dat ten tijde van de oplegging van de bewaring de implementatietermijn van de Europese Terugkeerrichtlijn nog niet was verstreken. Hierdoor was het niet vereist dat een terugkeerbesluit was genomen voorafgaand aan de bewaring. Dit betekent dat de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit in dit stadium niet relevant was voor de beoordeling van de bewaring.

Verder stelde de rechtbank dat het belang van eiser bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit ontbreekt, omdat bij een eventuele toekomstige bewaring waarop de richtlijn wel van toepassing is een nieuw terugkeerbesluit zal worden genomen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.

De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 10 mei 2011 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank 's-Gravenhage. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het terugkeerbesluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Afdeling 3, enkelvoudige kamer
Regnr.: AWB 11/5579 BEPTDN
UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in het geding tussen
[A], eiser, V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. C.M. da Cunha, advocaat te Amsterdam,
en
de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.
I PROCESVERLOOP
Eiser, van onbekende nationaliteit, is geboren op [datum] 1986. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.
Bij kennisgeving van 16 december 2010 is eiser in kennis gesteld van het feit dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten, zoals bedoeld in artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) (hierna: het terugkeerbesluit). Eiser heeft tegen dit besluit op 29 december 2010 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 16 februari 2011 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Bij brief van 17 februari 2011 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.
De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 april 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.S.M. Rietveld. Tevens was ter zitting aanwezig M. Chbab, tolk in de Arabische taal.
II OVERWEGINGEN
1 Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn), vaardigen de lidstaten, onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.
2 In artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, voor zover thans van belang, staat dat een onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring kan worden gehouden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien: a) er risico op onderduiken bestaat, of b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terukeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3 Volgens artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de Terugkeerrichtlijn doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 24 december 2010 aan deze richtlijn te voldoen.
4 Eiser heeft aangevoerd dat het terugkeerbesluit onvoldoende is gemotiveerd en hij reeds ongeveer 6 maanden in vreemdelingenbewaring zit. Eiser heeft gesteld uit Marokko afkomstig te zijn, maar gelet op de moeilijkheden van bijzondere aard die eiser aldaar heeft ondervonden niet naar Marokko teruggestuurd te kunnen worden. Tevens betoogt eiser dat niet met zekerheid vaststaat dat hij daadwerkelijk tot Marokko zal worden toegelaten.
5 De rechtbank overweegt - ambtshalve - het volgende.
Uit artikel 15 en Pro de systematiek van de Terugkeerrichtlijn volgt dat een maatregel van bewaring, opgelegd aan een onderdaan van een derde land die illegaal in Nederland verblijft, behoudens de in artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn bedoelde uitzonderingsgevallen, uitsluitend mag worden opgelegd indien voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met die maatregel een terugkeerbesluit is genomen. Bij bewaringsmaatregelen waarop de Terugkeerrichtlijn van toepassing is, is het belang van de beoordeling van de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit dan ook gelegen in de consequenties die dit zou kunnen hebben voor de rechtmatigheid van de betreffende bewaringsmaatregel. Nu ten tijde van de in bewaringstelling van eiser de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn nog niet was verstreken, behoefde verweerder bij het opleggen van de bewaringsmaatregel nog geen rekening te houden met het bepaalde in de Terugkeerrichtlijn. Een terugkeerbesluit was ten tijde van het opleggen van de maatregel dan ook niet vereist. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van
21 maart 2011 (LJN BP9280).
Voor de rechtmatigheid van de oplegging van de thans aan eiser opgelegde bewaringsmaatregel is dan ook niet van belang of het onderhavige terugkeerbesluit rechtmatig is. Nu verweerder bij een eventuele toekomstige bewaringsmaatregel waarop wel de Terugkeerrichtlijn van toepassing is een hernieuwd terugkeerbesluit zal moeten nemen valt ook overigens niet in te zien welk belang eiser heeft bij een rechtmatigheidsoordeel over dit terugkeerbesluit, zodat de rechtbank het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk zal verklaren.
6 Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III BESLISSING
De rechtbank 's-Gravenhage
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C. Noorduin Grecco.
Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2011.
RECHTSMIDDEL
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.
Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.
Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).