ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8490
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens motiveringsgebrek en in stand laten rechtsgevolgen
Eiser, van Iraakse nationaliteit, kreeg in 2007 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd toegekend. In 2010 trok de minister de vergunning in omdat het categoriale beschermingsbeleid voor Centraal-Irak was beëindigd. Eiser betwistte dit en voerde aan dat de veiligheidssituatie in Irak, met name in de provincie Nineveh, verslechterd was, en dat hij niet aannemelijk hoefde te maken dat hij zijn reisdocumenten kon overleggen.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde van zijn verblijfplaats en reisroute, en dat het ontbreken van documenten toerekenbaar was. Ook achtte de rechtbank de door eiser overgelegde documenten niet geloofwaardig. Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder had nagelaten te beoordelen of er sprake was van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de EU-Richtlijn, hetgeen een motiveringsgebrek opleverde.
De rechtbank vernietigde daarom het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand wegens proceseconomische redenen. Tevens wees de rechtbank het verzoek om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen af, omdat verschillen in beoordeling van feitelijke informatie niet door onduidelijkheid over de richtlijn worden veroorzaakt. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel is vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.