ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9510
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens zicht op uitzetting naar China
Eiser, een Chinese vreemdeling, is op 15 mei 2011 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank onderzocht of er zicht is op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn en of de bewaring redelijk is.
De rechtbank nam recente diplomatieke contacten tussen Nederlandse en Chinese autoriteiten mee, waaronder een gesprek op hoogambtelijk niveau met de Chinese ambassadeur op 4 mei 2011. Deze contacten en eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) wezen erop dat de Chinese autoriteiten bereid zijn reisdocumenten te verstrekken indien de vreemdeling volledige en juiste informatie verstrekt en het onderzoek niet frustreert.
Eiser weigerde echter mee te werken aan zijn uitzetting en het verkrijgen van benodigde documenten. De rechtbank oordeelde dat de vertraging en verlenging van de bewaring voor zijn rekening en risico komen. Gezien de voortgezette diplomatieke contacten en het feit dat in eerdere gevallen Chinese vreemdelingen zonder laissez passer met de sterke arm zijn uitgezet, concludeerde de rechtbank dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard omdat zicht op uitzetting naar China binnen redelijke termijn bestaat en eiser onvoldoende meewerkt.