ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9864

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
15 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11/602
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:15 AwbArt. 6:13 AwbArt. 3:23 WroArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen niet-ontvankelijk wegens ontbreken zienswijze bij bouwvergunning met ontheffing Wro

De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het geschil omtrent een bouwvergunning verleend met toepassing van een ontheffing op grond van artikel 3:23 Wro Pro. Eisers voerden aan dat zij niet tijdig van het ontwerp-besluit op de hoogte waren gesteld vanwege slechte bezorging van het huis-aan-huisblad De Posthoorn, waarin de publicaties hadden plaatsgevonden.

De rechtbank oordeelde dat verweerder aan de wettelijke bekendmakingsvereisten had voldaan door publicatie in De Posthoorn, waarin ook de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen was vermeld. Uit onderzoek, waaronder navraag bij de Posthoorn en gemeentelijke ombudsman, bleek geen sprake van ondeugdelijke bezorging in de relevante periode en wijk. Ook het eigen archief van de rechtbank leverde geen aanwijzingen op voor onregelmatigheden.

Verder stelde de rechtbank dat verweerder niet verplicht was om omwonenden individueel schriftelijk te informeren, tenzij duidelijk was dat de bezorging onvoldoende was, wat niet het geval was. Omdat geen van de eisers een zienswijze had ingediend, konden zij geen beroep instellen volgens artikel 6:13 Awb Pro.

De rechtbank verklaarde daarom de beroepen niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kon hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De beroepen zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van een zienswijze.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Afdeling 1, enkelvoudige kamer
Reg.nrs.: AWB 11/602, AWB 11/609, AWB 11/945, AWB 11/1329 en
AWB 11/1255
Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
In de gedingen tussen
[A], eiser sub 1,
[B], eiser sub 2,
[C] en [D], eisers sub 3,
[E]. [F], [G], [H], [I], [J], eisers sub 4,
gemachtigde van [E]: mr. W. Kattouw,
gemachtigde van [H]: mr. J. Hobo,
[L], eiser sub 5,
allen wonende te Den Haag,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.
Derde partij: [M], wonende te Den Haag, verweerder.
Zitting
Eisers zijn allen in persoon verschenen. [E] en [H] hebben zich bij laten staan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W. van Amerongen. De derde partij is in persoon verschenen.
Beslissing
De rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Overwegingen
1.1 Naar het oordeel van de rechtbank kleeft er geen gebrek aan de wijze waarop verweerder uitvoering heeft gegeven aan de procedure. Verweerder heeft mededeling gedaan van de aanvraag om bouwvergunning in het plaatselijke huis-aan-huisblad de Posthoorn (hierna: de Posthoorn). In de daaropvolgende publicatie van het ontwerp-besluit in de Posthoorn is aangegeven dat dit besluit ziet op het vergroten van de eengezinswoning door het plaatsen van een dakopbouw, dat deze vergunning zal worden verleend met toepassing van een ontheffing als bedoeld in artikel 3:23 Wro Pro, alsook dat dit besluit met de daarop betrekking hebbende stukken gedurende de in de publicatie weergegeven termijn ter inzage liggen en dat gedurende die termijn zienswijzen konden worden ingediend. Verweerder heeft hiermee voldaan aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt omtrent bekendmaking en publicatie.
1.2. De rechtsmiddelenvoorlichting in de betreffende publicatie is eveneens op de juiste wijze en naar de letter van de wet geschied. Voor zover (enkele) eisers stellen dat zij als leken niet hebben begrepen welke consequenties het niet-indienen van zienswijzen kan hebben komt dat voor eigen rekening, omdat een ieder geacht wordt de wet te kennen.
2. Ingevolge artikel 6:13 van Pro de Awb, voor zover thans van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van Pro de Awb naar voren heeft gebracht.
3. Vaststaat dat geen van eisers binnen de daartoe gestelde termijn een zienswijze heeft ingediend. Zij hebben gesteld dat hen dit niet kan worden verweten omdat, kort gezegd, zij niet van het voorgenomen besluit op de hoogte konden zijn omdat de Posthoorn slecht wordt bezorgd.
4. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken is dat de Posthoorn geen geschikt medium zou zijn voor de vereiste kennisgeving. Dat eisers, zoals zij stellen, de Posthoorn destijds niet hebben ontvangen en hierdoor geen tijdige zienswijze hebben kunnen indienen, hebben zij naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Uit de jaarverslagen van de gemeentelijke ombudsman over 2009 en 2010 blijkt niet dat in de wijk Benoordenhout de Posthoorn in de betreffende periode niet deugdelijk zou zijn bezorgd. De jaarverslagen bieden hiervoor geen concreet aanknopingspunt. Evenmin is de enkele stelling van één van de eisers dat zij op enig moment in 2010 per e-mail een klacht heeft ingediend bij de Posthoorn, voldoende concreet om aan te nemen dat de Posthoorn in de betreffende periode niet deugdelijk is bezorgd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking uit de navraag die verweerder heeft gedaan bij de Posthoorn en het gemeentelijk contactcentrum geen klachten over de betreffende periode naar voren zijn gekomen. Evenmin heeft de rechtbank in haar eigen archief vanaf 1 januari 2009 tot en met heden noch in het overzicht van gepubliceerde uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zaken gevonden die betrekking hadden op onregelmatige bezorging van de Posthoorn in deze wijk rondom de betreffende periode. Het eigen archief heeft over deze periode slechts twee zaken uit de gemeente Den Haag opgeleverd waarin de bezorging van de Posthoorn in discussie was, beiden uit andere delen van de stad.
5. Voor zover eisers hebben gesteld dat verweerder uit het oogpunt van zorgvuldigheid tevens had moeten overgaan tot het schriftelijk informeren per huisadres in de betreffende straat en de omliggende straten, overweegt de rechtbank dat verweerder daartoe niet verplicht was. Dit zou slechts anders zijn als het verweerder duidelijk had moeten zijn dat de Posthoorn in deze buurt niet goed werd bezorgd. Hiervoor zijn naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op hetgeen over de bezorging van de Posthoorn reeds is opgemerkt, onvoldoende aanknopingspunten.
6. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een situatie waarbij eisers redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijzen te hebben ingediend.
7. De beroepen zijn niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
Aldus vastgesteld door mr. J.L. Verbeek, in tegenwoordigheid van de griffier
mr. K. Beukhof.
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.