ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2196
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over navorderingsaanslagen en vergrijpboete inkomstenbelasting voor in Verenigd Koninkrijk woonachtige certificaathouder
De zaak betreft een in het Verenigd Koninkrijk woonachtige certificaathouder die navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2005 en een vergrijpboete betwist. De inspecteur heeft deze aanslagen opgelegd omdat eiser loon en tantièmes van zijn Nederlandse vennootschap niet had aangegeven. De rechtbank stelt vast dat eiser in de onderhavige jaren in het Verenigd Koninkrijk woonde en als buitenlands belastingplichtige werd aangemerkt.
De rechtbank oordeelt dat voor 2002 sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, omdat de inspecteur pas bij behandeling van het bezwaar tegen de vennootschapsbelasting over 2003 ontdekte dat eiser loon en tantièmes ontving. De navorderingsaanslag over 2003 is terecht opgelegd omdat eiser vooraf is geïnformeerd dat de definitieve aanslag niet definitief was. De rechtbank verwerpt het standpunt dat eiser als bestuurder in de zin van het belastingverdrag kan worden aangemerkt, maar stelt vast dat het heffingsrecht over de looninkomsten aan Nederland toekomt omdat de werkzaamheden in Nederland zijn verricht.
De aanslagen over 2004 en 2005 worden verminderd omdat de belastbare inkomens te hoog zijn vastgesteld. De vergrijpboete wordt gehandhaafd op 25% van de nagevorderde belasting, maar gematigd met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan eiser. Het hoger beroep staat open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen over 2004 en 2005 en de vergrijpboete worden gegrond verklaard met vermindering van de aanslagen en matiging van de boete.