ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3968
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.J. van Leijenhorst
- T. van Rij
- E.G. van Roest
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing artikel 15ab lid 6 Wet Vpb bij waardering schuldvordering binnen fiscale eenheid
Eiseres, een vennootschap die in 2004 een schuldvordering had op [F B.V.], werd geconfronteerd met een aanslag vennootschapsbelasting waarbij verweerder de schuldvordering waardeerde op € 762 in plaats van de nominale waarde van ruim € 14 miljoen. Dit leidde tot een vrijvalwinst van bijna € 15 miljoen die tot de winst werd gerekend.
De rechtbank overwoog dat artikel 15ab, zesde lid, van de Wet Vpb een eigen toepassingsbereik heeft en dat de schuldvordering en de corresponderende schuld per 31 december 2004 op dezelfde waarde moeten worden gesteld, namelijk de bedrijfswaarde van € 762. De stelling van eiseres dat de schuldvordering als eigen vermogen moest worden behandeld, werd onvoldoende onderbouwd en verworpen.
Hoewel toepassing van artikel 15ab lid 6 in dit geval tot een onbillijke uitkomst kan leiden, is het aan de wetgever en niet aan de rechter om de billijkheid van de wet te beoordelen. De rechtbank vernietigde de boetebeschikking en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard voor zover het de boetebeschikking betrof.
Uitkomst: De rechtbank stelt dat de schuldvordering op bedrijfswaarde van € 762 moet worden gewaardeerd en vernietigt de boetebeschikking.