Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
accountancymaatstaven tot het garantievermogen gerekend zou worden. Daartoe zijn de belanghebbende en [D] BV onder meer overeengekomen dat de vordering achtergesteld is bij de vordering van de bank en renteloos en aflossingsvrij is.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
i.e.de nettovermogenswaarde van de belanghebbende. De balans van de belanghebbende vermeldde op dat moment een schuld ad € 14.916.711 aan [D] BV.
junctoart. 10(1)(d) en (2) Wet Vpb en art. 3.8 Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), dat het om een hybride lening gaat en van art. 15ab(6) Wet Vpb in casu tot onredelijke resultaten leidt:
overkillleidt, kan de belanghebbende volgens het Hof niet baten omdat het de rechter niet is toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen, behoudens strijd met rechtstreeks werkende verdragsbepalingen waarvan niet is gebleken. Daaraan doet niet af dat de wetgever blijkens het in december 2005 in de Wet Vpb opgenomen zevende lid van art. 15ab oog heeft voor situaties waarin onverkorte toepassing van art. 15ab(6) Wet Vpb tot ongewenste uitkomsten leidt.
3.Het geding in cassatie
4.Art. 10(1)(d) Wet Vpb (tekst 2004; thans art. 10b Wet Vpb)
Wettekst en -geschiedenis
overkillzou kunnen leiden, of waarin wel degelijk op zakelijke gronden afgezien werd van rente, hield de regering voet bij stuk. Zij meende dat in de aangedragen gevallen de crediteur op andere wijze vergoed werd, zoals bij
zero coupon,
deep discounten dergelijke leningen: [13]
5.Samenloop van art. 15ab(6) (tekst 2004) met art. 10(4) (tekst 2004) Wet Vpb
curs. van mij):
Een vergelijkbare situatie ontstaat indien weliswaar civielrechtelijk geen sprake is van schuldvermenging, maar als gevolg van het aangaan van een fiscale eenheid (in fiscaalrechtelijke zin) hetzelfde wordt bereikt; zie art. 13bb, vierde lid, aanhef en onderdeel b, Wet Vpb. 1969.
reguliereschuldvordering als gevolg van een bedrijfsfusie, juridische splitsing, juridische fusie of het aangaan van een fiscale eenheid door schuldvermenging (in fiscale zin) tenietgaat, vindt geen afrekening plaats bij de crediteur, maar bij de debiteur; zie standaardvoorwaarde 1 bij de bedrijfsfusie, standaardvoorwaarde 1 bij de juridische afsplitsing (ter zake van de zuivere splitsing zijn nog geen standaardvoorwaarden gepubliceerd), standaardvoorwaarde 1 bij de juridische fusie, alsmede art. 15ab, zesde lid, Wet Vpb. 1969 bij de fiscale eenheid (en standaardvoorwaarde 2b bij de fiscale eenheid ‘oude stijl’). Wordt de schuldvermenging van een reguliere schuldvordering vergeleken met de schuldvermenging van een hybride schuldvordering, dan valt direct op dat in de regel de fiscale gevolgen in het laatste geval zwaarwegender zullen zijn. Winstneming bij de debiteur, zoals voorgeschreven bij de schuldvermenging van de reguliere schuldvordering, zal in de regel als gevolg van de aanwezigheid van compensabele verliezen niet tot daadwerkelijke heffing leiden, terwijl de uit hoofde van art. 13bb, vierde lid, Wet Vpb. 1969 voorgeschreven winstneming bij de crediteur veelal wel tot belastingheffing leidt. De wetgever heeft niet aangegeven waarom de laatstgenoemde vorm van schuldvermenging tot zwaardere fiscale gevolgen moet leiden en ik zou het mede gezien de hiervoor beschreven context dienstig achten als alle vormen van schuldvermenging dezelfde behandeling ten deel zou vallen. Dit kan door bij een schuldvermenging van een hybride schuldvordering hetzelfde te bepalen als bij een reguliere schuldvordering en dan bij de schuldenaar art. 10, eerste lid, aanhef en onderdeel d, Wet Vpb. 1969 buiten toepassing te verklaren.
6.Behandeling van de middelen
i.e.standaardvoorwaarde 2.a, [42] maar duidelijk is dat niet. Zoals opgemerkt, ligt het maken van een uitzondering op de fiscale irrelevantie van herwaarderingen voor de toepassing van art. 15ab(6) Wet Vpb bepaald niet voor de hand, omdat alsdan twee sancties ter zake van dezelfde lening tegelijk toegepast zouden worden: één bij de crediteur (art. 13bb(2)
juncto13bb(4)(a) Wet Vpb) en één bij de debiteur (art. 15ab(6) Wet Vpb), met dubbele belastingheffing tot gevolg. Daar komt bij dat deze passage pas bij de nota naar aanleiding van het verslag in de Eerste Kamer uit de lucht komt vallen en geheel ongemotiveerd gaat, terwijl (ook) onduidelijk is wat “tenzij anders is bepaald” betekent. Ik meen dat in art. 15ab(6) niet “anders is bepaald”, nu art. 15ab(6) immers niet zegt dat voor de toepassing van die bepaling art. 10(1)(d) niet geldt.