ECLI:NL:RBSGR:2011:BR6809
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning grondwateronttrekking wegens onjuiste wettelijke grondslag
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland verleenden vergunninghoudster onder intrekking van eerdere vergunningen een vergunning voor het onttrekken en infiltreren van grondwater op basis van de Grondwaterwet. Eiseressen, milieuorganisaties, stelden beroep in tegen dit besluit omdat het besluit gebaseerd was op een onjuiste wettelijke grondslag, namelijk de Grondwaterwet in plaats van de op dat moment geldende Waterwet.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit strijdig was met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en vernietigde het besluit. Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat er geen risico op verdroging bestond.
Eiseressen voerden aan dat de vergunning zou leiden tot nadelige gevolgen voor natuurwaarden door uitbreiding van oppervlaktewinning en infiltratie, en dat een toetsing op grond van de Natuurbeschermingswet en een milieueffectrapportage had moeten plaatsvinden. De rechtbank vond echter dat geen uitbreiding van infrastructuur plaatsvond en dat de vergunning paste binnen het provinciale grondwaterbeleid. Verder concludeerde de rechtbank dat de voorschriften voldoende waarborgen boden tegen verdroging en negatieve milieueffecten.
De rechtbank wees ook de vrees van eiseressen dat meer oppervlakte-infiltratie zou leiden tot een toename van voedingsstoffen in de bodem af, mede op basis van gegevens over waterkwaliteit en monitoringvoorschriften. Het beroep werd gegrond verklaard vanwege de onjuiste wettelijke grondslag, het besluit werd vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven gehandhaafd. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.