ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8308
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens gebrek aan geloofwaardigheid en bewijs van risico
Verzoeker, van Ugandese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de Immigratie- en Naturalisatiedienst werd afgewezen. De kern van het geschil betrof de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de vraag of nader onderzoek naar littekens die zouden wijzen op mishandeling noodzakelijk was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder zich terecht op het standpunt stelde dat het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht had vanwege tegenstrijdigheden en vaagheden in de verklaringen van verzoeker. Tevens was er geen begin van bewijs geleverd dat een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer bestond, waardoor geen verplichting tot nader onderzoek bestond.
Verzoekers beroep en verzoek om voorlopige voorziening werden afgewezen. De rechtbank benadrukte dat de procedurele bepaling uit artikel 3.109, vijfde lid, Vreemdelingenbesluit 2000, niet verplicht tot nader onderzoek indien geen begin van bewijs is geleverd. De uitspraak kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen wegens gebrek aan geloofwaardigheid en onvoldoende bewijs.