ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7611
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J. Paris
- B.C. Punt
- F.J. Verbeek
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot erkenning Nederlandse nationaliteit wegens schijnhandeling bij erkenning in Suriname
Verzoeker vroeg de rechtbank om vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit op grond van een erkenning door [A] in Suriname in 2001. Deze erkenning betrof zes kinderen van dezelfde moeder, waaronder verzoeker, en werd gedaan door een man die niet de biologische vader was en gehuwd was met een ander.
De rechtbank onderzocht of deze erkenning in Nederland erkend kon worden en toetste dit aan artikel 10, eerste lid, juncto artikel 9 van Pro de Wet conflictenrecht afstamming. De erkenning werd beoordeeld op strijdigheid met de openbare orde, waarbij werd vastgesteld dat sprake was van een schijnhandeling, mede omdat de erkenning plaatsvond met het oogmerk om de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen en niet op basis van een daadwerkelijke ouder-kindrelatie.
Daarnaast was er geen sprake van family life tussen de erkenner en het kind of diens moeder, wat een vereiste is voor rechtsgeldigheid van erkenning door een gehuwde man. Ook het feit dat verzoeker een Nederlands paspoort had ontvangen, leidde niet tot verkrijging van de nationaliteit volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Daarom concludeerde de rechtbank dat de erkenning niet erkend kan worden in Nederland en wees het verzoek af.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit af wegens schijnhandeling bij erkenning en strijd met de openbare orde.