ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9090
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verbod tenuitvoerlegging teruggeleiding minderjarigen naar Spanje wegens misbruik bevoegdheid
De man, met Belgische nationaliteit, en de vrouw, met Spaanse nationaliteit, zijn betrokken in een geschil over de teruggeleiding van hun minderjarige kinderen naar Spanje. Na diverse rechterlijke beslissingen, waaronder een vernietiging van een eerdere verhuistoestemming en een beschikking tot teruggeleiding, vordert de man een verbod op de tenuitvoerlegging van deze teruggeleiding totdat het cassatieberoep is afgerond.
De rechtbank overweegt dat de tenuitvoerlegging in principe moet plaatsvinden, tenzij sprake is van een kennelijke juridische of feitelijke misslag die leidt tot misbruik van bevoegdheid. De man stelt dat het hof ten onrechte oordeelde dat de gewone verblijfplaats van de kinderen is gewijzigd en dat hij risico loopt op arrestatie bij terugkeer. Tevens wijst hij op een vaststellingsovereenkomst waarin is afgesproken dat de kinderen in Nederland blijven totdat onherroepelijk is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het hof voldoende heeft gemotiveerd dat de verblijfplaats is gewijzigd en dat de kans op niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep reëel is als de teruggeleiding plaatsvindt. Gelet op het belang van de kinderen om niet nodeloos te wisselen van verblijfplaats en de gemaakte afspraken, is er geen redelijk belang van de Staat bij onmiddellijke tenuitvoerlegging. Daarom wordt het verbod op tenuitvoerlegging toegewezen en de Staat veroordeeld in de kosten.
Uitkomst: De Staat wordt verboden de teruggeleiding van de minderjarigen naar Spanje ten uitvoer te leggen totdat het cassatieberoep is beslist.