ECLI:NL:RBSGR:2012:19680

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
6 september 2012
Publicatiedatum
1 mei 2013
Zaaknummer
AWB-12_1206 IB-PVV
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak op bezwaar wegens schending hoorplicht bij belastingaanslag 2009

Eiser, ondernemer in vloerenonderhoud, diende een aangifte inkomstenbelasting 2009 in met een verlies uit werk en woning. Na controle en reconstructie van de administratie door verweerder in samenspraak met eiser, werd het belastbare inkomen vastgesteld op €34.136. Eiser betwistte de aanslag en stelde dat kosten zoals telefoonkosten en autoverzekering ten onrechte niet in aanmerking waren genomen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden door niet te voldoen aan het verzoek van eiser om gehoord te worden. Ondanks deze schending is niet gebleken dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad, mede omdat uitvoerig overleg plaatsvond tijdens de reconstructie en eiser zijn standpunten ter zitting kon toelichten.

Verder ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat de gestelde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt; de enkele stelling is onvoldoende. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen van de aanslag in stand. Verweerder wordt opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar wegens schending van de hoorplicht, maar handhaaft de rechtsgevolgen van de aanslag.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12/1206
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van6 september 2012 in de zaak tussen
[X], wonende te [Z], eiser
en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 11 januari 2012 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2009 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.136 (de aanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2012.
Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [A] en [B].

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1.
Eiser drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak waarvan de activiteiten bestaan uit het plaatsen en repareren van en het verrichten van onderhoud aan houten vloeren en laminaatvloeren.
2.
Eiser heeft, na hiertoe te zijn aangemaand, op 30 maart 2011 aangifte IB/PVV 2009 gedaan naar een verlies uit werk en woning van € 2.260. In 2010 heeft bij eiser een controle plaatsgevonden voor de jaren 2005 tot en met 2008. Naar aanleiding van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 wordt in 2011 door verweerder in samenspraak met eiser, eisers administratie gereconstrueerd. Op 9 november 2011 wordt als gevolg van de reconstructie het inkomen uit werk en woning bepaald op € 34.136. Na hiertegen door eiser gemaakt bezwaar, heeft verweerder de aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
3.
In geschil is of verweerder terecht van de aangifte is afgeweken.
4.
Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe – zakelijk weergegeven – aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met telefoonkosten, autoverzekeringskosten, huisvestingskosten, energiekosten en (rente)kosten op MKB leningen. Verder stelt eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord en dat verweerder te laat uitspraak op bezwaar heeft gedaan.
Verweerder stelt dat er voor de kosten door eiser geen bewijs is bijgebracht, en dat aan het buiten de termijn uitspraak doen op bezwaar geen consequenties zijn verbonden.
5.
De rechtbank stelt voorop dat de wet als zodanig geen sanctie kent bij overschrijding door verweerder van de wettelijke uitspraaktermijn. Wel biedt de wet aan eiser in een dergelijk geval de mogelijkheid om na ingebrekestelling een dwangsom te vorderen en de mogelijkheid van rechtstreeks beroep. Beide mogelijkheden zijn in het onderhavige geval niet benut. De grief op dit punt van eiser dient derhalve zonder gevolg te blijven.
6.
Eiser heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om te worden gehoord. Verweerder is aan dit verzoek voorbij gegaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft geen van de in artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vermelde situaties zich voorgedaan en was verweerder gehouden eiser te horen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan is sprake van schending van de hoorplicht, hetgeen de rechtbank aanleiding geeft de uitspraak op bezwaar te vernietigen. Eiser heeft niet verzocht om terugverwijzing en nu in 2011 bij het reconstrueren van de administratie uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden tussen eiser en verweerder en eiser ter zitting zijn standpunten heeft kunnen toelichten, is niet gebleken dat eiser door de schending van de hoorplicht in zijn belang is geschaad. De rechtbank zal derhalve zelf in de zaak voorzien.
7.
Aangaande de kosten overweegt de rechtbank dat het – bij betwisting door verweerder – op eisers weg ligt om aannemelijk te maken dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet geslaagd in deze op hem rustende bewijslast. De enkele stelling van eiser dat hij kosten heeft gemaakt, is daartoe onvoldoende. Het gelijk is derhalve aan verweerder.
8.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 6 is overwogen, wordt het beroep gegrond verklaard. Voorts zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven.
9.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Molenaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. -
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. -
het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep