ECLI:NL:RBSGR:2012:BV7625

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
27 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11-34844, AWB 11-34845, AWB 11-34846
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:7 AwbArt. 7:3 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs gezinsband bij nareis asiel

De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep tegen afzonderlijke besluiten van 12 oktober 2011 waarin de minister van Buitenlandse Zaken de aanvragen van eisers om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis asiel had afgewezen. Eisers, bestaande uit de echtgenote, zus en dochter van de referent, voerden aan dat zij feitelijk tot het gezin van referent behoorden en dat zij onterecht niet gehoord waren in de bezwaarprocedure.

De rechtbank overwoog dat de bewijslast voor het aantonen dat eisers feitelijk tot het gezin van de referent behoorden bij het vertrek uit Somalië bij eisers ligt. Uit het identificerend onderzoek en de verklaringen bleek dat er essentiële tegenstrijdigheden waren tussen de verklaringen van referent en eisers, waardoor niet aannemelijk was gemaakt dat zij tot het gezin behoorden. Daarnaast ontbrak de vereiste toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder voor de dochter, wat ook tot afwijzing leidde.

Het verzoek tot hoorzitting in bezwaar werd afgewezen omdat de primaire besluitvorming niet gebrekkig was en de bezwaren redelijkerwijs niet tot een ander besluit konden leiden. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en bevestigde de weigering van de mvv-aanvragen.

Uitkomst: De beroepen tegen de weigering van de mvv-aanvragen worden ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 11/34844
AWB 11/34845
AWB 11/34846
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2012
in de zaak tussen
[eiseres 1], (eiseres 1)
geboren op 1 juli 1989,
en
[eiseres 2] (eiseres 2)
geboren op 1 juli 1992,
en
[eiseres 3], (eiseres 3)
Geboren op 10 april 2003,
nationaliteit Somalische,
eisers,
(gemachtigde mr. A.H.A. Kessels),
tegen
de minister van Buitenlandse Zaken,
verweerder,
(gemachtigde mr. A.S. Poelman).
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 21 februari 2011 (de primaire besluiten), heeft verweerder de aanvragen van eisers om het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) in verband met nareis asiel afgewezen.
Bij afzonderlijke besluiten van 12 oktober 2011 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben op 27 oktober 2011 tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld.
Op 1 februari 2012 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012, waar partijen bij gemachtigde zijn verschenen. Van de kant van eisers was tevens aanwezig [referent] (hierna: referent).
Overwegingen
1. Aan de orde is of de weigering om eisers een mvv te verlenen in rechte stand kan houden.
2. De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van de volgende feiten.
3. Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft verweerder referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend.
4. Eiseres 1 stelt te zijn de echtgenote van referent. Eiseres 2 en eiseres 3 stellen te zijn respectievelijk de zus en de dochter van referent. Eiseres 1 is niet de moeder van eiseres 3.
5. Referent is op 22 maart 2010 naar aanleiding van door hem ingediende verzoeken om advies om afgifte van een mvv ten behoeve van eisers in het kader van een identificerend onderzoek gehoord. Van dit gehoor is een verslag opgemaakt.
6. Eisers hebben op 4 november 2010 bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Nairobi (Kenia) onderhavige mvv-aanvragen ingediend.
7. Op 19 november 2010 zijn eisers 1 en 2 in het kader van het identificerend onderzoek gehoord. Van die gehoren zijn verslagen opgemaakt.
8. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten het standpunt gehandhaafd dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat eisers, ten tijde van het vertrek van referent uit het land van herkomst, daadwerkelijk hebben behoord tot het gezin van referent. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat tussen referent enerzijds en eisers anderzijds, alsook tussen eisers onderling, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd. Ten aanzien van eiseres 2 stelt verweerder zich tevens op het standpunt dat zij nimmer feitelijk heeft behoord tot het gezin van referent, maar dat zij samen met referent heeft behoord tot het gezin van hun moeder. Ten aanzien van eiseres 3 is er volgens verweerder nog steeds niet de vereiste toestemmingsverklaring overgelegd van haar moeder (de achterblijvende ouder), de ex-echtgenote van referent.
9. Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen en hebben daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Eisers hebben uitdrukkelijk verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om in bezwaar te worden gehoord, nu er tegenstrijdigheden zijn tegengeworpen die aanleiding geven om de zaak nader te onderzoeken. Een hoorzitting is ook bedoeld om eisers de gelegenheid te geven eventuele ongerijmdheden te verklaren en de bezwaren persoonlijk toe te lichten. Eisers zijn bovendien in strijd met artikel 4:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet geconfronteerd met de geconstateerde tegenstrijdigheden voor het nemen van de primaire besluiten. Dit gebrek had gerepareerd kunnen worden in de bezwaarfase. Ten aanzien van de identificerende interviews stellen eisers dat deze interviews niet met voldoende waarborgen zijn omkleed. Eisers zijn in het geheel niet voorbereid op de vragen. De aanwezige tolk heeft zich tijdens de interviews niet onafhankelijk opgesteld. Eiseres 2 heeft vóór aanvang van het interview meegedeeld dat zij alleen ‘mai mai’ spreekt. Zij was door het handelen van de tolk zodanig geïntimideerd en zenuwachtig dat zij heeft verklaard in het Somalisch gehoord te kunnen worden. Daardoor heeft zij de meeste vragen niet duidelijk beantwoord. Eisers hebben in Somalië geen scholing gevolgd. Het niveau van begrip en kennis wordt daarom geacht zeer laag te zijn. De door verweerder naar voren gebrachte tegenstrijdigheden dienen dan ook te worden bezien in het licht van de gebreken in de fase van primaire besluitvorming en de door eisers geschetste omstandigheden.
10. Eiseres 2 is verder van mening dat zij wel feitelijk tot het gezin van referent behoorde op het moment van vertrek van referent. Referent heeft na het overlijden van hun vader de rol van vader op zich genomen, Referent zorgde voor eiseres 2 en onderhield haar financieel. Aangezien het moment van overlijden van haar moeder en het noodgedwongen vertrek samenviel, bleef eiseres 2 bij de rest van het gezin van referent. Zij maakt tot op heden nog deel uit van het gezin van referent.
11. Eiseres 3 heeft over de ontbrekende toestemmingsverklaring aangevoerd dat referent op dit moment geen contact heeft met haar moeder (zijn ex-vrouw) en hij niet weet waar zij op dit moment verblijft. Eiseres 3 is bovendien van mening dat eerst door verweerder door middel van DNA-onderzoek vastgesteld moet worden of het hier om een biologisch kind gaat. Pas daarna dient beoordeeld te worden of sprake is van een feitelijke gezinsband. In dat verband verwijst eiseres 2 naar een besluit van verweerder (dossiernummer 0809-04-1612) waarin wel DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden ondanks het feit dat in die situatie geen sprake was van een feitelijke gezinsband.
12. De rechtbank overweegt als volgt.
13. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, dan wel als partner of meerderjarig kind zodanig van hem afhankelijk is dat hij om die reden behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000, is verleend.
14. In paragraaf C2/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), zijn de voorwaarden voor verlening van deze afgeleide verblijfsvergunningen nader beschreven. Hieruit volgt dat cumulatieve vereisten zijn:
• dat de bedoelde gezinsleden dezelfde nationaliteit hebben als de houder van de verblijfsvergunning asiel;
• dat zij feitelijk behoren tot zijn gezin;
• dat de houder van de verblijfsvergunning deze gezinsleden heeft genoemd tijdens diens asielprocedure, en
• dat zij gelijktijdig met hem zijn ingereisd, dan wel binnen drie maanden nadat de bedoelde vreemdeling zijn verblijfsvergunning asiel heeft verkregen, zijn nagereisd.
15. De gezinsleden dienen, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst feitelijk te hebben behoord tot diens gezin. Ook moeten deze gezinsleden zijn genoemd als gezinsleden tijdens de asielprocedure van de hoofdpersoon. Indien zij niet zijn genoemd gedurende de asielprocedure is niet aannemelijk dat zij feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebben behoord, ligt bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel – indicatief – bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hier aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen over te worden verstrekt.
De biologische kinderen (minderjarig en meerderjarig) behoren niet langer tot het gezin van de hoofdpersoon indien de gezinsband als verbroken kan worden beschouwd. Dit doet zich in elk geval voor indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
• het kind is duurzaam opgenomen in een ander gezin dan het gezin van de hoofdpersoon;
• het kind is zelfstandig gaan wonen;
• het kind heeft een eigen gezin gevormd doordat het gehuwd is of een relatie is aangegaan.
Voor niet-biologische (pleeg- of adoptie)kinderen gelden bovenstaande criteria eveneens en geldt voorts dat de gezinsband als verbroken wordt beschouwd, indien deze kinderen na vertrek van de hoofdpersoon zijn opgenomen in een ander gezin.
Met betrekking tot echtgenoten en partners is nog bepaald dat het moet gaan om een huwelijk of partnerschap dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog in het buitenland verbleven. Een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld aan partnerschap.
16. In voormelde paragraaf van de Vc 2000 onder het kopje ‘Toestemmingsverklaring’ is tevens bepaald dat de aanvraag om een afgeleide asielvergunning wordt afgewezen indien de achterblijvende ouder geen toestemming heeft verleend voor het vertrek van het kind naar Nederland. Bij de aanvraag dient een verklaring te worden overgelegd waaruit de toestemming van de achterblijvende ouder blijkt, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de achterblijvende ouder, ter verificatie van de handtekening. Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet kan geven omdat deze ouder onvindbaar is of is overleden, moet aannemelijk worden gemaakt waarom deze verklaring niet kan worden overgelegd. Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet wil geven, wordt de aanvraag om nareis van dit kind bij de hoofdpersoon in Nederland afgewezen. De toestemmingsverklaring wordt gevraagd om te voorkomen dat door de Nederlandse overheid wordt meegewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatig gezag over een buitenlands kind toekomt dan wel wie dat uitoefent.
17. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat eisers op het moment van het vertrek van referent uit Somalië feitelijk tot zijn gezin behoorden berust bij eisers en referent (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juni 2010, www.rechtspraak.nl, LJN: BN1257). Het is dus niet aan verweerder om aannemelijk te maken dat eisers niet feitelijk tot het gezin van referent hebben behoord.
18. Met betrekking tot eiseres 1 (de echtgenote van referent) overweegt de rechtbank als volgt.
19. Enig objectief en verifieerbaar bewijs dat eiseres 1 feitelijk tot het gezin van referent heeft behoord is niet overgelegd. Weliswaar heeft referent reeds tijdens het eerste gehoor melding gemaakt van eiseres, maar uit het door verweerder uitgevoerde identificerend onderzoek is naar voren gekomen dat eiseres 1 en referent op essentiële onderdelen tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat zij feitelijk tot zijn gezin heeft behoord. Zo hebben referent en eiseres 1 tegenstrijdige verklaringen afgelegd over onder meer de plaats en omstandigheden van hun huwelijksvoltrekking, de beschrijving van de echtelijke woning en de (beroepsmatige) werkzaamheden van referent. Reeds in dit licht bezien heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat eiseres 1 op het moment van het vertrek van referent uit Somalië feitelijk tot zijn gezin heeft behoord. De verklaringen van eiseres 2, waarvan verweerder heeft gesteld dat deze eveneens op essentiële onderdelen tegenstrijdig zijn aan de verklaringen van referent en eiseres 1, bevestigen dit oordeel, maar zijn daarvoor niet bepalend.
20. Voor het oordeel dat verweerder bij de beoordeling van onderhavige aanvragen niet mocht uitgaan van deze verklaringen bestaat geen grond. Eiseres 1 heeft weliswaar gesteld dat bedoelde tegenstrijdigheden het gevolg zijn van miscommunicatie en de omstandigheid dat de interviews niet met voldoende waarborgen zijn omkleed, maar een en ander heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Uit de verslaglegging van de interviews door de medewerker van de Nederlandse ambassade blijkt dat eiseres 1 voorafgaand aan het interview in de gelegenheid is gesteld om aan te geven of ze de tolk goed begreep. Eiseres 1 is na afloop van het interview nogmaals gevraagd of zij de tolk goed had verstaan waarop eiseres 1 bevestigend heeft geantwoord. Eiseres 1 verklaarde ook dat zij geen wijzigingen of aanvullingen op het interview had. Weliswaar heeft eiseres 1 nog gesteld dat de tolk zich tijdens zijn werkzaamheden niet onafhankelijk heeft opgesteld, maar zij heeft dit niet nader onderbouwd. De stelling van eiseres 1 dat zij geen opleiding heeft gehad in Somalië en niet op het interview was voorbereid kan evenmin de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden verklaren. Van eiseres 1 mag in redelijkheid worden verwacht dat zij eenduidig en naar waarheid kan antwoorden op de aan haar gestelde – basale – vragen.
21. Het betoog van eiseres 1 dat verweerder ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase slaagt niet. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en hetgeen eiseres 1 daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan. Anders dan eiseres 1 heeft betoogd, was verweerder niet gehouden om, voordat hij overging tot afwijzing van de aanvraag, eiseres 1 met toepassing van artikel 4:7 van Pro de Awb in de gelegenheid te stellen haar zienswijze naar voren te brengen, daar de afwijzing niet steunt op gegevens over feiten en belangen die appellante betreffen en die afwijken van gegevens die zij ter zake zelf heeft verstrekt. Hetgeen referent in zijn asielprocedure en in het identificerend onderzoek heeft verklaard maakt immers onderdeel uit van onderhavige aanvraag van eiseres 1 en moet dus worden geacht door haar zelf te zijn verstrekt. Van een gebrek in de primaire besluitvorming is dan ook geen sprake, zodat verweerder niet gehouden was eiseres 1 om die reden in de bezwaarfase te horen. De verklaringen van eiseres 2, waarvan verweerder heeft gesteld dat deze eveneens op essentiële onderdelen tegenstrijdig zijn aan de verklaringen van referent en eiseres 1 en om die reden dus afwijken van gegevens die eiseres 1 zelf heeft verstrekt, maken weliswaar geen onderdeel uit van de aanvraag van eiseres 1, maar zijn, zoals hiervoor overwogen, niet bepalend voor het oordeel dat verweerder niet aannemelijk gemaakt heeft hoeven achten dat eiseres 1 op het moment van het vertrek van referent uit Somalië feitelijk tot zijn gezin heeft behoord. Ook in zoverre was verweerder niet gehouden eiseres 1 in de bezwaarfase te horen.
22. Met betrekking tot eiseres 2 (de zus van referent) overweegt de rechtbank als volgt.
23. Uit de door eiseres 2 afgelegde verklaringen blijkt dat zij tot aan het overlijden van haar moeder bij haar moeder heeft gewoond en dat referent daar ook bij inwoonde. Nu referent heeft verklaard dat hij één dag na het overlijden van de moeder is vertrokken, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres 2 nimmer heeft deel uitgemaakt van het gezin van referent. Dat zij stelt daarna bij de echtgenote van referent (eiseres 1) te zijn ondergebracht maakt dit niet anders. Reeds om die reden heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat eiseres 2 op het moment van het vertrek van referent uit Somalië feitelijk tot zijn gezin heeft behoord.
24. Het betoog van eiseres 2 dat verweerder ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase slaagt niet. Gelet op de motivering van het primaire besluit en hetgeen eiseres 2 daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan de hiervoor weergegeven maatstaf van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb voldaan.
25. Met betrekking tot eiseres 3 (de dochter van referent) overweegt de rechtbank als volgt.
26. Verweerder hanteert ten aanzien van biologische kinderen als beleid dat bij de aanvraag een verklaring dient te worden overgelegd waaruit de toestemming van de achterblijvende ouder blijkt en wijst de aanvraag kennelijk af indien hieraan niet is voldaan. Dit beleid, zoals hiervoor onder 16 weergegeven, komt de rechtbank, gezien het doel ervan, namelijk voorkomen dat door de Nederlandse overheid wordt meegewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatig gezag over een buitenlands kind toekomt dan wel wie dat uitoefent, niet onredelijk voor (zie de uitspraak van deze rechtbank van 27 mei 2011, LJN: BQ7103).
27. Niet in geschil is dat eiseres 3 en referent niet beschikken over de vereiste toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder (haar moeder en zijn ex-echtgenote). Anders dan eiseres 3 heeft aangevoerd, betekent de slechte algemene veiligheidssituatie in Somalië niet dat verweerder een toestemmingsverklaring niet kan vragen. In hetgeen eiseres 3 heeft aangevoerd heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat haar moeder onvindbaar is. Eiseres 3 heeft weliswaar gesteld dat referent op dit moment geen contact heeft met haar moeder en niet weet waar zij is, maar, gelet op de hiervoor weergeven bedoeling van het ter zake geldende beleid, mocht verweerder van eiseres 3 (en referent) de nodige inspanningen verwachten om haar moeder (en zijn ex-echtgenote) op te sporen. Van enige inspanning is echter niet gebleken.
28. In aanmerking genomen dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt waarom geen toestemmingsverklaring kan worden overgelegd, heeft verweerder de gevraagde mvv reeds op grond hiervan terecht geweigerd.
29. Het betoog van eiseres 3 dat verweerder ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase slaagt niet. Gelet op de motivering van het primaire besluit en hetgeen eiseres 3 daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan de hiervoor weergegeven maatstaf van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb voldaan.
30. Met betrekking tot het door verweerder in de besluiten van eiseres 2 en eiseres 3 ingenomen standpunt dat zij – kort gezegd – niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij daadwerkelijk hebben behoord tot het gezin van referent, omdat tussen referent enerzijds en eisers anderzijds, alsook tussen eisers onderling, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd, overweegt de rechtbank – meer ten overvloede – als volgt. De rechtbank stelt ten aanzien van die verklaringen vast dat deze, in onderlinge samenhang bezien, op essentiële onderdelen vele tegenstrijdigheden bevatten en dat eisers en referent ook in beroep hierover geen opheldering hebben kunnen bieden. Uit deze verklaringen komt in ieder geval niet het beeld naar voren dat eisers, zoals zij zelf stellen, gezamenlijk op het moment van het vertrek van referent uit Somalië feitelijk tot zijn gezin hebben behoord.
31. De bestreden besluiten houden in rechte stand.
32. De beroepen zijn ongegrond.
33. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.
34. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank,
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus gedaan door mr. A. Venekamp als rechter in tegenwoordigheid van J.H.J.M. Strik als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2012
De griffier is buiten staat deze uitspraak
mede te ondertekenen.
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:
Raad van State
Afdeling bestuursrechtspraak
Hoger beroep vreemdelingenzaken
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van Pro de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van Pro de Awb is niet van toepassing.
Afschriften verzonden:
?