ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9027
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens onjuiste wettelijke grondslag in asielzaak
Verzoeker, een Armeense vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, welke werd afgewezen met oplegging van een inreisverbod. De rechtbank beoordeelde dat het inreisverbod onterecht was opgelegd omdat het niet door een zelfstandige beschikking was uitgevaardigd zoals vereist volgens artikel 66a Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag van verzoeker een herhaalde aanvraag betrof en dat de door hem aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden niet als zodanig konden worden aangemerkt. De eerdere intrekking van zijn verblijfsvergunning stond in rechte vast. Verzoekers beroep tegen het inreisverbod werd inhoudelijk behandeld omdat het inreisverbod deel uitmaakte van een meeromvattende beschikking.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit voor zover het inreisverbod betreft. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening werd afgewezen. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het opgelegde inreisverbod wordt vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag.