ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8473
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing ongewenstverklaring op grond van nationale regelgeving en EU-recht
Eiser en zijn echtgenote verblijven in Spanje; de echtgenote heeft de Nederlandse nationaliteit en eiser heeft een verblijfsdocument als gezinslid van een EU-burger. Eiser verzocht om opheffing van zijn ongewenstverklaring in Nederland, welke door verweerder werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat artikel 3 lid 1 van Pro richtlijn 2004/38/EG pas analoog op eiser van toepassing is indien zijn echtgenote voornemens is vanuit Spanje naar Nederland terug te keren en eiser haar begeleidt.
De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht niet het Unierechtelijk openbare-ordecriterium heeft toegepast, maar de nationale regelgeving omtrent opheffing van ongewenstverklaringen. Eiser kon niet concreet aantonen dat hij en zijn echtgenote voornemens zijn naar Nederland terug te keren. Het beroep op het arrest Metock faalt eveneens.
Verder oordeelt de rechtbank dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van tien jaar onafgebroken verblijf buiten Nederland na de ongewenstverklaring en dat de omstandigheden die hij aanvoert geen bijzondere feiten zijn die opheffing rechtvaardigen. Het beroep op de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen wordt afgewezen omdat deze wet niet van toepassing is op besluiten op grond van de Vreemdelingenwet. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.