ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9744
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsbeperking minderjarige in psychiatrische inrichting
De minderjarige verbleef aanvankelijk vrijwillig in een instelling voor verstandelijk gehandicapten. Op verzoek van de officier van justitie werd een voorlopige machtiging verleend voor voortgezet verblijf, maar deze was gebaseerd op een medische verklaring van een arts gehandicaptenzorg in plaats van een psychiater, wat strijdig was met de Wet Bopz. De Hoge Raad vernietigde de machtiging later.
De minderjarige heeft gedurende de periode van 18 augustus 2011 tot 1 januari 2012 vrijheidsbeperkende maatregelen ondergaan die onrechtmatig waren omdat zij niet waren gelegitimeerd door een geldige machtiging. De rechtbank oordeelde dat het nadeel direct voortvloeit uit de onjuiste machtiging en kende een schadevergoeding toe van €50 per dag voor 136 dagen, totaal €6.800.
Daarnaast werden kosten voor cassatie en advocaatkosten toegekend. De rechtbank wees het verzoek tot vergoeding van schade over een langere periode af omdat dit niet schriftelijk was ingediend. De Staat werd veroordeeld tot betaling van in totaal €7.094 aan de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige, uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €7.094 schadevergoeding aan de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige wegens onrechtmatige vrijheidsbeperking.