Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3460

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
18 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11/9320
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 AwbArt. 19 WwbArt. 31 Wwb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dwangsom als vermogen en niet als inkomen bij vaststelling bijstand

Eiser stelde verweerder in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift, waarna verweerder een dwangsom van €820,- vaststelde en dit bedrag als inkomen in mindering bracht op de bijstandsuitkering van eiser. Eiser maakte bezwaar tegen deze kwalificatie van de dwangsom als inkomen, stellende dat dit in strijd is met de strekking van de Wet dwangsom en de Wet werk en bijstand (Wwb).

De rechtbank oordeelt dat de dwangsom terecht als een middel in de zin van artikel 31 Wwb Pro wordt aangemerkt, maar niet als inkomen zoals verweerder stelde. De dwangsom voldoet niet aan de definitie van inkomsten in artikel 32 Wwb Pro en kan er ook niet mee gelijk worden gesteld. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens ondeugdelijke motivering en bepaalt dat de dwangsom als vermogen moet worden meegenomen bij de vaststelling van de bijstand.

Omdat de rechtbank niet beschikte over gegevens over het vermogen van eiser ten tijde van het besluit, kon zij niet zelf in de zaak voorzien. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij de dwangsom als vermogen en niet als inkomen wordt beschouwd.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 11/9320
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2012 in de zaak tussen
[eiser], te [plaats],
(gemachtigde: mr. M. Issa),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 28 juni 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de verbeurde dwangsom vastgesteld op een bedrag van € 820,00 en tevens bepaald dat dit bedrag als inkomen in mindering wordt gebracht op de uitkering die eiser krachtens de Wet werk en bijstand (Wwb) ontvangt.
Bij besluit van 1 november 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2012. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek, het onderzoek heropend en de procedure verwezen naar de meervoudige kamer.
Partijen hebben schriftelijk ingestemd met het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting voor de meervoudige kamer. Daarna heeft de meervoudige kamer het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.1 Bij brief van 6 mei 2011, ontvangen op 9 mei 2011, heeft eiser verweerder ingebreke gesteld als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaarschrift van eiser heeft beslist.
1.2 Aangezien verweerder vervolgens niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op het bezwaarschrift van eiser heeft beslist, is verweerder aan eiser een dwangsom verschuldigd voor elke dag dat verweerder in gebreke is gebleven.
2. Bij besluit van 28 juni 2011 heeft verweerder de hoogte van de verbeurde dwangsom vastgesteld op een bedrag van € 820,00. Verweerder heeft bij ditzelfde besluit bepaald dat het aan eiser verschuldigde bedrag als inkomen wordt aangemerkt en als zodanig in mindering wordt gebracht op zijn bijstandsuitkering. Verweerder heeft in afwijking van het advies van de Commissie bezwaarschriften van 7 september 2011, eisers bezwaar hiertegen bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte de aan hem toegekende dwangsom in mindering heeft gebracht op zijn bijstandsuitkering. Dit is naar de mening van eiser in strijd met de ratio, het doel en de strekking van de Wet dwangsom. Eiser verwijst tevens naar een (concept)wetsontwerp van de (toenmalig) Staatsecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid J. Klijnsma waaruit volgens eiser blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de dwangsom zoals bedoeld in artikel 4:17 Awb Pro als vrij te laten middel aan artikel 31, tweede lid, van de Wwb toe te voegen.
4.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wwb, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Artikel 31, tweede lid, van de Wwb bevat een limitatieve opsomming van hetgeen niet tot deze middelen wordt gerekend. Een door het bestuursorgaan verschuldigde dwangsom, zoals bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb, is niet in deze lijst opgenomen, zodat verweerder terecht de verschuldigde dwangsom heeft aangemerkt als een in aanmerking te nemen middel in voornoemde zin. De door eiser aangehaalde Nota van wijziging (TK 2009-2010 31844 nr. 9), waarin wordt voorgesteld om artikel 31, tweede lid, van de Wwb te wijzigen zodat een dwangsom in voornoemde zin niet in aanmerking wordt genomen bij de middelentoets, is door de Minister bij de algemene beraadslaging in de Tweede Kamer (op 23 september 2009) ingetrokken, zodat aan dit wetsvoorstel geen betekenis toekomt.
4.2. De rechtbank volgt verweerder echter niet in zijn betoog dat de aan eiser toegekende dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb voor de vaststelling van de bijstand in aanmerking moet worden genomen als inkomen. Een dwangsom in voornoemde zin voldoet niet aan de in artikel 32, eerste lid, onder a, van de Wwb, opgenomen definitie van inkomsten, waarin een specifiek aantal inkomstenbronnen is genoemd. Ook kan het naar zijn aard hiermee niet worden gelijk gesteld. Het bestreden besluit berust dan ook op een ondeugdelijke motivering.
4.3. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
4.4. Met het oog op finale beslechting van het geschil overweegt de rechtbank het volgende. Middelen die eiser ontvangt in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, die geen inkomsten betreffen, worden ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb aangemerkt als vermogen. Verweerder had dan ook de aan eiser toegekende dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, van de Awb voor de vaststelling van de bijstand in aanmerking moet nemen als vermogen. Indien met de toegekende dwangsom het in aanmerking te nemen vermogen van eiser boven de voor hem geldende vermogensgrens uitkomt, is op grond van artikel 19 van Pro de Wwb de dwangsom van invloed op zijn recht op bijstand. Voor zover eiser wil betogen dat de dwangsom in het geheel niet als middelen in aanmerking mag worden genomen faalt deze beroepsgrond. Gelet op artikel 31 eerste Pro en tweede lid van de Wwb in onderlinge samenhang zou een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, van de Awb alleen op grond van het tweede lid onder l of m (schadevergoedingen) uitgezonderd kunnen zijn. De dwangsom is geen schadevergoeding als bedoeld in deze bepaling. De functie van de dwangsom is het bestuursorgaan te prikkelen tot het tijdig nemen van een besluit. De dwangsom vervult dus dezelfde functie als de dwangsom die de rechter kan opleggen op grond van 8:72, zevende lid, van de Awb. Uit de laatste volzin van die bepaling volgt dat deze dwangsom hetzelfde rechtskarakter heeft als de dwangsom bedoeld in artikel 611a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, die expliciet niet als schadevergoeding is aangemerkt.
4.5. Aangezien de rechtbank niet beschikt over gegevens omtrent het in aanmerking te nemen vermogen van eiser ten tijde van het bestreden besluit kan de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien. Omdat bovendien het bestreden besluit in de huidige vorm niet kan worden gehandhaafd, immers als de betaalde dwangsom ertoe mocht leiden dat eisers vermogen de voor hem vastgestelde grens overschrijdt kan niet zonder meer verrekening plaatsvinden zoals nu is gebeurd, ziet de rechtbank ook geen grond voor een bestuurlijke lus. Verweerder wordt daarom opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank zal hiervoor een termijn stellen.
5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
6. Verweerder wordt in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.
7. Aangezien ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 41,00 vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874,00 welk bedrag aan de griffier moet worden vergoed.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Koper, voorzitter, mr. J.L. Verbeek en
mr. G.P. Verbeek, leden, in aanwezigheid van mr. S.M. Kraan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2012.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden naar partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.