ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6699

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
6 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
awb 12/600
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 68 Vreemdelingenwet 2000Art. 2 Richtlijn 2008/115/EGArt. 11 Richtlijn 2008/115/EG
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opheffing ongewenstverklaring wegens niet verlaten Nederland

Eiser, geboren in 1964 en van Marokkaanse nationaliteit, is in 2000 ongewenst verklaard door de staatssecretaris van Justitie. Ondanks meerdere verzoeken tot opheffing in 2005, 2009 en 2011, is deze steeds afgewezen. Het bestreden besluit van 23 december 2011 bevestigde deze afwijzing omdat eiser niet aantoonbaar tien jaar onafgebroken buiten Nederland verbleef en herhaaldelijk veroordeeld is wegens illegaliteit.

Eiser stelde dat de Terugkeerrichtlijn van de EU, die de duur van het inreisverbod beperkt tot vijf jaar en het vereiste van vertrek uit Nederland heeft aangepast, van rechtswege het einde van de ongewenstverklaring betekent. De rechtbank oordeelde echter dat de richtlijn geen overgangsbepalingen bevat die het bestaande besluit ongedaan maken en dat rechtszekerheid dit ook niet toelaat.

De rechtbank overwoog dat de bepalingen van de richtlijn wel betrokken moeten worden bij de beoordeling van verzoeken tot opheffing, maar dat opheffing alleen aan de orde is indien de maximale duur van het inreisverbod is verstreken. Nu eiser Nederland niet heeft verlaten, is die termijn niet overschreden. Daarom is het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
Nevenlocatie Middelburg
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 12/600
V-nummer: [nummer]
uitspraak van de rechtbank in de zaak tussen
[naam], eiser
(gemachtigde mr. G.A. Dorsman),
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder.
(gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovács)
Procesverloop
Eiser heeft op 5 januari 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen verweerders besluit van 23 december 2011 (het bestreden besluit).
Het beroep is op 23 augustus 2012 ter openbare zitting behandeld. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [1964] en de Marokkaanse nationaliteit te bezitten. Hij is op 27 november 2000 door de staatssecretaris van justitie ongewenst verklaard. Eiser heeft Nederland nadien niet verlaten. Verzoeken om opheffing van de ongewenstverklaring, gedaan op 3 januari 2005 en 20 januari 2009, zijn afgewezen. Op 9 januari 2011 heeft eiser andermaal verzocht om opheffing, welk verzoek door verweerder op 19 april 2011 is afgewezen.
2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder onder meer overwogen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor opheffing, omdat eiser niet aantoonbaar tien jaar buiten Nederland heeft verbleven en hij na zijn ongewenstverklaring herhaalde malen is veroordeeld wegens illegaliteit.
3. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring van rechtswege is geëindigd als gevolg van de thans geldende Terugkeerrichtlijn. In artikel 11 van Pro deze richtlijn is de duur van het inreisverbod beperkt tot 5 jaar en geldt de voorwaarde dat de vreemdeling het grondgebied van Nederland feitelijk moet hebben verlaten niet meer. Daarnaast ligt er geen gemotiveerd besluit waarin een inreisverbod voor langere duur is opgelegd. Eiser heeft de rechtbank verzocht om voor zover nodig prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
4. Verweerder heeft bij wijze van schriftelijk verweer volstaan met een verwijzing naar het bestreden besluit.
De rechtbank overweegt als volgt.
5. Op grond van artikel 68 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt – op een daartoe strekkende aanvraag – de ongewenstverklaring opgeheven indien de vreemdeling tien jaren onafgebroken buiten Nederland verblijf heeft gehad en zich in die periode geen nieuwe gronden voor ongewenstverklaring hebben voorgedaan. In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), hoofdstuk A5/10.4 is uiteengezet dat er zich daarnaast (uitzonderlijke) gevallen kunnen voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling dient te prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. Daarbij zal sprake moeten zijn van bijzondere feiten en omstandigheden die niet zijn betrokken bij het bepalen van genoemde maximale duur van de ongewenstverklaring.
6. Uit artikel 2 van Pro Richtlijn 2008/115 EG van 16 december 2008 (Terugkeerrichtlijn) blijkt dat deze van toepassing is op illegaal op het grondgebied van de lidstaten verblijvende onderdanen van derde landen. Artikel 11 van Pro de richtlijn bevat de verplichting tot, dan wel mogelijkheid van het opleggen van een inreisverbod. De situatie die destijds leidde tot de ongewenstverklaring van eiser wordt thans bestreken door deze figuur. Dit betekent dat verweerder zijn bevoegdheid tot ongewenstverklaring in een dergelijke situatie niet opnieuw zal kunnen toepassen. De rechtbank volgt echter niet het standpunt van eiser dat hiermee ook de rechtsgevolgen van het in rechte vaststaande besluit tot ongewenstverklaring van eiser van rechtswege ongedaan zijn gemaakt. De Terugkeerrichtlijn bevat geen overgangsrechtelijke bepalingen van die strekking en een dergelijke opvatting verdraagt zich in zijn algemeenheid niet met de rechtszekerheid, hetgeen ook een gemeenschapsrechtelijk beginsel betreft.
7. Nu de aan de eerdere ongewenstverklaring ten grondslag liggende feiten en omstandigheden binnen het toepassingsbereik van de huidige bepalingen betreffende het inreisverbod vallen, horen die bepalingen wel, desnoods door middel van richtlijnconforme interpretatie van de bestaande praktijk, te worden betrokken bij de beoordeling van een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring, dit teneinde de volle werking van de Terugkeerrichtlijn te verzekeren. Opheffing zal aan de orde zijn indien de in de artikel 11 van Pro de Terugkeerrichtlijn bepaalde maximale duur van het inreisverbod is verstreken.
8. In dit geval ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder na afweging van alle belangen tot een opheffing van de ongewenstverklaring had moeten besluiten. Zowel voor de maatregel van ongewenstverklaring als het inreisverbod geldt immers dat deze eerst gaat werken, nadat de betrokken vreemdeling is vertrokken uit respectievelijk Nederland en de Europese Unie. Nu eiser niet uit Nederland is vertrokken, kan thans niet worden vastgesteld dat de feitelijke duur van de ongewenstverklaring de maximaal toegelaten duur van het inreisverbod heeft overschreden. Verweerder heeft in dat verband terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij Nederland en/of de Europese Unie niet kan verlaten. Hetgeen in beroep is aangevoerd kan hier niet aan afdoen.
9. De aanvraag is daarom terecht afgewezen.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra-Hoekstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2012.
Afschrift verzonden aan partijen op: 6 september 2012
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de verzending ervan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.