ECLI:NL:RBSHE:2009:BH4428

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08-2689
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WMOArt. 4 WMOArt. 3.1 Verordening maatschappelijke ondersteuning Helmond 2007Art. 3.2 Verordening maatschappelijke ondersteuning Helmond 2007Art. 3.3 Verordening maatschappelijke ondersteuning Helmond 2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtstreeks belang echtgenoot bij afwijzing aanvraag huishoudelijke hulp WMO

De echtgenote van eiser vroeg een persoonsgebonden budget (PGB) voor huishoudelijke hulp aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Het college van burgemeester en wethouders van Helmond wees deze aanvraag af omdat eiser, als echtgenoot, geacht werd de gebruikelijke zorg te verrichten. Eiser stelde dat hij hiertoe niet in staat was en betwistte de medische beoordeling.

De rechtbank stelde vast dat eiser als echtgenoot deel uitmaakt van de leefeenheid van de aanvrager en daardoor een rechtstreeks belang heeft bij het besluit. Tevens werd overwogen dat het medisch onderzoek een ingrijpende inbreuk op zijn privéleven betekende, waardoor hij zelf bezwaar mocht maken.

De medische rapportage van de AGZ-arts concludeerde dat eiser in staat was huishoudelijke taken te verrichten. De rechtbank vond geen aanleiding om aan deze beoordeling te twijfelen en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag huishoudelijke hulp blijft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 08/2689
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2009
inzake
[eiser],
te [plaats],
eiser,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond,
verweerder,
gemachtigde mw. drs. N.M.H.A. van Hirtum.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2008 heeft verweerder de aanvraag van de echtgenote van eiser, [echtgenote] (hierna: de echtgenote) voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), in de vorm van een persoonsgebonden budget (PGB), per 24 maart 2008 afgewezen. In de periode van 1 januari 2007 tot en met 23 maart 2008 zal de echtgenote de zorg die zij in 2007 toegewezen heeft gekregen, ongewijzigd ontvangen.
Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 3 juli 2008 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De zaak is behandeld op de zitting van 22 januari 2009, waar eiser niet is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. In dit geding gaat de rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2. De echtgenote van eiser ontving op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) tot 1 januari 2008 een PGB voor huishoudelijke verzorging. De huishoudelijke verzorging werd gedaan door eiser. Omdat vanaf 1 januari 2008 de WMO in werking is getreden, heeft een herindicatie plaatsgevonden. Op 8 januari 2008 heeft een huisbezoek plaatsgevonden. De bevindingen hiervan staan vermeld in de onderzoeksrapportage van 7 februari 2008. Uit deze rapportage blijkt onder meer dat eiser tot twee maal toe is uitgenodigd voor het medisch spreekuur. Eiser heeft dit geweigerd. Vervolgens heeft verweerder de aanvraag van de echtgenote van eiser op grond van artikel 7.7, aanhef en onder a, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Helmond 2007 (hierna: de Verordening) afgewezen omdat eiser heeft geweigerd mee te werken aan een medisch onderzoek. In de bezwaarfase heeft eiser alsnog ingestemd met deelname aan een medisch onderzoek. Het medisch onderzoek heeft plaatsgevonden op 24 april 2008 en de resultaten hiervan zijn neergelegd in een rapportage van 15 mei 2008.
3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de echtgenote van eiser niet voor hulp in het huishouden in de vorm van een PGB in aanmerking komt omdat van eiser kan worden verwacht dat hij de huishoudelijke taken die zijn echtgenote zelf niet kan verrichten, van haar overneemt. Dit valt onder de zogenaamde gebruikelijke zorg.
4. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet in staat is om de gebruikelijke zorg te verrichten. Hij stelt dat het advies van AGZ-arts Gan van 15 mei 2008 onzorgvuldig is en onvoldoende is gemotiveerd. Tijdens het onderzoek heeft de AGZ-arts tot twee maal toe de bloeddruk van eiser gemeten met als resultaat een onderdruk van 110 en een bovendruk van 180. Door een verhoogde cholesterol worden de bloedvaten van eiser nauwer, waardoor deze op den duur dicht gaan zitten. Dat kan klachten geven aan hart en vaten.
Eiser heeft bovendien aangevoerd dat de AWBZ-indicatie gold tot na 1 januari 2008.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank dient zich allereerst te buigen over de vraag of verweerder eiser terecht heeft ontvangen in zijn bezwaar. De echtgenote van eiser heeft op grond van de WMO een aanvraag ingediend voor hulp in de huishouding en het primaire besluit van 7 februari 2008 was tot haar gericht. Eiser heeft verweerder uitdrukkelijk laten weten dat hij het bezwaarschrift niet namens zijn echtgenote heeft ingediend maar op eigen titel, omdat hij niet wilde worden gekeurd. De vraag rijst derhalve of eisers belang rechtstreeks bij het primaire besluit is betrokken en hij daarom als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden beschouwd.
7. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en wijst daartoe op het volgende.
8. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de WMO is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder huishoudelijke verzorging wordt verstaan: het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort.
9. In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de WMO is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren.
10. Uit het samenstel van deze bepalingen leidt de rechtbank af dat een indicatie voor huishoudelijke hulp op grond van de WMO niet alleen is bedoeld voor de verzorging van het huishouden van de aanvrager maar eventueel ook voor het huishouden van de gehele leefeenheid waartoe deze persoon behoort. In dit geval moet eiser, als echtgenoot van de aanvrager, worden beschouwd als behorende tot de leefeenheid van de aanvrager. Dat betekent dat, met de afwijzing van de aanvraag van eisers echtgenote voor huishoudelijke hulp, ook hulp voor eisers huishouden is geweigerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser een rechtstreeks belang heeft bij het primaire besluit. De rechtbank neemt daarbij ook in overweging dat van eiser, in het kader van de aanvraag voor huishoudelijke hulp van zijn echtgenote, een ingrijpende inbreuk op zijn privé leven kan worden verlangd (en in dit geval ook daadwerkelijk is verlangd), namelijk het ondergaan van een medisch onderzoek. De rechtbank zou het onjuist vinden als eiser in verband met een dergelijk onderzoek niet zelf in een bezwaar- of beroepsprocedure grieven naar voren zou kunnen brengen, maar daarvoor afhankelijk zou zijn van een door zijn echtgenote ingesteld bezwaar of beroep.
11. Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op goede gronden de aanvraag van de echtgenote van eiser voor hulp in het huishouden in de vorm van een PGB heeft afgewezen.
12. In artikel 4, tweede lid, van de WMO is vastgelegd dat het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.
13. In overeenstemming met artikel 5 van Pro de WMO heeft de gemeenteraad van Helmond de Verordening vastgesteld.
14. Ingevolge artikel 3.1 van de Verordening kan de door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek bij het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen, te verstrekken voorziening bestaan uit:
a. een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen;
b. hulp bij het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen in natura;
c. een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen.
15. Ingevolge het eerste lid van artikel 3.2 van de Verordening kan een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 van de wet voor in de artikel 3.1 onder a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of
b. problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg
het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen dit snel en adequaat kan oplossen.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 van de wet voor de in artikel 3.1 onder b. en c. vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht als
a. de in het eerste lid genoemde voorziening een onvoldoende oplossing biedt of
b. niet beschikbaar is.
16. Ingevolge artikel 3.3 komt een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 van de wet in afwijking van het gestelde in artikel 3.2 niet in aanmerking voor hulp bij het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten.
17. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser in staat moet worden geacht het huishoudelijk werk in de leefeenheid te verrichten. De AGZ-arts heeft bij zijn onderzoek geen specifieke beperkingen vastgesteld. Hij achtte het mogelijk dat er kleine, in de spreekkamer niet waar te nemen afwijkingen aan de doorbloeding van de voeten zijn, maar heeft geconcludeerd dat een dergelijke kleine afwijking geen beperking voor het huishoudelijk werk zou geven. De AGZ-arts heeft kennis genomen van latere bloeduitslagen, maar per e-mail van 3 juni 2008 laten weten dat deze niet tot een ander standpunt leiden. Ten aanzien van de door eiser per fax van 5 augustus 2008 ingezonden uitslagen klinisch chemisch laboratorium heeft WMO-consulente mw. U. Martens laten weten (zoals ter zitting is gebleken: na overleg met een arts) dat deze geen reden zijn om een nieuwe aanvraag voor huishoudelijke verzorging in te dienen. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de zorgvuldigheid waarmee de AGZ-arts het medisch onderzoek heeft verricht. Door eiser is ook geen medische informatie overgelegd die aan het standpunt van de AGZ-arts doet twijfelen. De rechtbank wijst er bovendien op dat eiser blijkens het rapport van 7 februari 2008 heeft gezegd dat bukken en traplopen geen probleem geven; hij verder kan lopen dan 1 kilometer, zonder hulpmiddel; en dat hij, hoewel hij in 2003 met pensioen is gegaan nog een winkel beheert en van plan is binnenkort een tweede winkel te openen.
18. Wat betreft de grief dat de AWBZ-indicatie gold tot na 1 januari 2008 wijst de rechtbank op artikel 41, derde lid, van de WMO. De bepaling luidt, voor zover hier van belang:
“De rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot huishoudelijke verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet, …, blijven gelden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet …”
Gelet op deze bepaling en het feit dat de WMO met ingang van 1 januari 2007 in werking is getreden, kunnen indicatiebesluiten betreffende huishoudelijke verzorging die onder de AWBZ zijn afgegeven, hooguit tot 1 januari 2008 gelden. Deze grief moet derhalve falen.
19. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Zij ziet geen aanleiding een der partijen te veroordelen tot een proceskostenvergoeding of te bepalen dat de gemeente Helmond het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.
20. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als rechter in tegenwoordigheid van mr. B. van den Akker als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009.
Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Afschriften verzonden: