ECLI:NL:RBSHE:2009:BJ2532

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2009034573
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 lid 2 Wetboek van StrafvorderingArt. 50 lid 3 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot beperking contact advocaat met verdachten in methamfetaminelaboratoriumzaak rechtmatig

In deze strafzaak oordeelt de rechtbank ’s-Hertogenbosch dat het bevel van de officier van justitie, opgelegd ex artikel 50 lid 2 en Pro 3 van het Wetboek van Strafvordering, rechtmatig is. Het bevel beperkt het contact tussen een advocaat en haar drie cliënten, verdachten in een onderzoek naar een methamfetaminelaboratorium.

De rechtbank weegt het opsporingsbelang zwaar, gezien de ernst van het feit en de gevaarzetting door het laboratorium in een woonwijk. Er is een ernstig vermoeden dat het vrije verkeer tussen de advocaat en haar cliënten kan leiden tot het bekend raken van onderzoeksgegevens die in het belang van het onderzoek geheim moeten blijven, of tot belemmering van de opsporing.

Hoewel de advocaat stelt dat zij nog geen contact met de verdachten heeft gehad en integer zal omgaan met de beperkingen, oordeelt de rechtbank dat de belangen van het onderzoek prevaleren. De advocaat vertegenwoordigt tevens een medeverdachte in hetzelfde of een samenhangend feitencomplex, wat het risico op misbruik van het contact vergroot.

De rechtbank benadrukt dat een advocaat haar cliënten volledig moet informeren, maar dat tijdens opsporingsonderzoeken tactische overwegingen kunnen rechtvaardigen dat bepaalde informatie nog niet wordt prijsgegeven. Het bevel wordt daarom bekrachtigd en blijft van kracht.

Uitkomst: De rechtbank bekrachtigt het bevel dat de advocaat geen contact mag hebben met haar drie cliënten wegens het opsporingsbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH
RAADKAMER
Registratienummer 2009034573
Beschikking ex artikel 50, lid 3 Wetboek van Strafvordering
De officier van justitie in dit arrondissement heeft op 3 juli 2009 in de strafzaak tegen
[verdachte 1]
Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990
Wonende te [woonplaats], [adres]
en in de strafzaak tegen
[verdachte 2]
Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987
Wonende te [woonplaats], [adres]
een bevel ex artikel 50 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering uitgevaardigd tegen [advocaat verdachten] inhoudende dat de raadsvrouwe geen toegang zal hebben tot elk der verdachten en dat brieven of andere stukken tussen de raadsvrouwe en elk van de verdachten gewisseld, niet zullen worden uitgereikt.
De officier van justitie heeft de voorzitter van de rechtbank onverwijld deze bevelen doen toekomen.
De bevelen zijn in raadkamer van 6 juli 2009 getoetst. [advocaat verdachten] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. [advocaat verdachten] heeft schriftelijk, gedateerd 6 juli 2009, te kennen gegeven dat zij niet kon verschijnen.
In het schrijven van 6 juli 2009 heeft [advocaat verdachten] – zakelijk weergegeven - aangegeven dat zij raadsvrouwe is van de (mede)verdachte [naam medeverdachte]; nog geen contact heeft gehad met de bovenvermelde verdachten; wel contact heeft gehad met een kennis van de familie (de rechtbank leest daarin [naam kennis]; de officier van justitie door het opleggen van de bevelen ex artilel 50 lid 2 Sv treedt in een beslissing die aan de advocatuur moet worden overgelaten; zij de gevoelens van de bovenvermelde verdachten nog niet heeft kunnen inwinnen en zij en haar kantoorgenoten geacht moeten worden integer om te gaan met de opgelegde beperkingen. De raadsvrouwe verzoekt de bevelen dan ook op te heffen.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de bevelen – zakelijk weergegeven - (schriftelijk) gemotiveerd. De officier van justitie benadrukt onder meer het opsporingsbelang gezien de ernst van het feit, te weten het hebben van een laboratorium geschikt c.q. bedoeld voor een grootschalige productie van methamfetamine alsmede de gevaarzetting door de locatie van het laboratorium in een woonwijk;
en het belang van het voorkomen van afstemming tussen de verdachten dan wel het volharden in ontkenning en verwijst daarvoor naar (door hem bijgevoegde) jurisprudentie en een onderdeel van het (door hem bijgevoegde) proefschrift van Spronken. De officier van justitie benadrukt dat de vier verdachten allen de beperkingen zijn opgelegd en rechtbijstand krijgen van één advocatenkantoor.
De officier van justitie benadrukt dat het niet gaat om de integriteit van de raadsvrouwe doch om het opsporingsbelang en gegevensoverdracht tussen de advocaat en de verdachte(n) voortvloeit uit de behoorlijke taakuitoefening van een advocaat.
Overwegende:
Aan de orde is de vraag of de bevelen van de officier van justitie rechtmatig zijn gegeven, dan wel of de bevelen dienen te worden opgeheven, gewijzigd of aangevuld.
De rechtbank is van oordeel dat een behoorlijke taakuitoefening van een raadsvrouwe met zich brengt dat zij elke cliënt zo volledig mogelijk op de hoogte zal stellen en houden van al wat in het onderzoek voor elk van haar cliënten van betekenis is.
Voorts is van algemene bekendheid in de kring der betrokkenen bij de rechtspleging dat zich tijdens opsporingsonderzoeken velerlei ontwikkelingen kunnen voordoen waarvan de opsporingsinstanties zich de kennis zullen voorbehouden totdat het tactisch geschikte moment aanwezig wordt geacht om deze kennis aan verdachten in het verhoor voor te leggen. Indien verschillende personen verdachten zijn in een zelfde feitencomplex en/of in met elkaar samenhangende feitencomplexen kan de geschiktheid van dat moment variëren. Voor de rechtsorde, die gebaat is bij opheldering van ernstige misdrijven als waarvoor thans de verdenking bestaat, is het van eminent belang dat de opsporende instantie kan blijven beschikken over deze legitieme mogelijkheden tot het bepalen en benutten van een normale opsporingsstrategie en -tactiek.
Van dit soort overwegingen dient een raadsvrouwe in strafzaken zich bewust te zijn. Vanuit een dergelijke bewustheid moet het optreden van de raadsvrouwe dan ook worden beoordeeld, waarbij in het midden kan blijven of de raadsvrouwe zich al of niet deze achtergrond heeft gerealiseerd.
Dit geldt temeer in de situatie dat de raadsvrouwe van de bovengenoemde verdachten tevens raadsvrouwe is van de [medeverdachte], eveneens verdachte in het feitencomplex of in een daarmee samenhangend feitencomplex.
Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat [advocaat van verdachten] optreedt in het feitencomplex of een daarmee samenhangend feitencomplex waarin de bovengenoemde verdachten als verdachte worden aangemerkt, voldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat het vrije verkeer tussen [advocaat verdachten] en haar drie cliënten ertoe zal strekken dat deze bekend raken met omstandigheden waarvan zij in het belang van het onderzoek onkundig moeten blijven, dan wel dat dit vrije verkeer wordt misbruikt door pogingen om de opsporing der waarheid te belemmeren.
In een dergelijke situatie oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een meer dan gerechtvaardigde vrees en een ernstig vermoeden dat de in artikel 50 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering omschreven belangen zullen worden geschaad.
De rechtbank
Bekrachtigt de bevelen van de officier van justitie.
Aldus gegeven in raadkamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, door
Mr. K. Visser, voorzitter
en mr. J.W.H. Renneberg en mr. drs. W.A.F. Damen, leden,
in tegenwoordigheid van mw. M.G.J.A. Smetsers- Van Goch, griffier in raadkamer van 6 juli 2009.
De griffier De voorzitter