ECLI:NL:RBSHE:2010:BO8976

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10-1200
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WROArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:52 Awb
Verwijzingen
28 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning wegens onvoldoende ruimtelijke onderbouwing en belangenafweging nabij bedrijventerrein

Verweerder verleende vergunninghoudster een vrijstelling en bouwvergunning voor de realisatie van 75 zorgappartementen, 18 grondgebonden woningen en een zorgcomplex met parkeergarage nabij een bedrijventerrein. Eiseres, een vereniging van bedrijven op dat terrein, stelde dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende was en dat de belangen van de bedrijven onvoldoende waren meegewogen.

De rechtbank oordeelde dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende aandacht besteedde aan de gevolgen van het nabijgelegen bedrijventerrein voor het project en vice versa. Verweerder had onvoldoende onderzoek verricht en onvoldoende gemotiveerd waarom het woon- en leefklimaat gewaarborgd kon worden, met name gezien de mogelijke vestiging van een bedrijf met milieucategorie 3.2 op korte afstand.

De enkele verwijzing naar het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim) werd als onvoldoende beschouwd. Ook was onduidelijk of verkeersbewegingen en andere hinder voldoende waren meegewogen. De rechtbank vernietigde het besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende ruimtelijke onderbouwing en motivering, met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 10/1200
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2010
inzake
de vereniging Bedrijvenkontakt de Kade,
te Eindhoven,
eiseres,
gemachtigde mr. P.W.M. Dorn,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven,
verweerder,
gemachtigde mr. M.J.M.J. Heutink.
Aan het geding heeft als partij deelgenomen Bouwfonds Property Development,
te Eindhoven, in de hoedanigheid van vergunninghoudster, gemachtigde mr. T.A. van Meer.
Procesverloop
Bij besluit van 15 mei 2009 heeft verweerder aan vergunninghoudster een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend ten behoeve van het oprichten van 75 zorgappartementen, 18 grondgebonden woningen en een zorgcomplex met parkeergarage aan de Breitnerstraat/Stuiverstraat (ongenummerd), plaatselijk bekend als gemeente Eindhoven, sectie E, nummer 2888 (hierna: het project). Teven heeft verweerder bij afzonderlijk besluit van 7 mei 2009 aan vergunninghoudster een reguliere bouwvergunning eerste fase verleend ten behoeve van het project.
Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 3 maart 2010 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Op verzoek van vergunninghoudster is de zaak met toepassing van artikel 8:52, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) versneld behandeld.
De zaak is behandeld op de zitting van 12 november 2010, waar eiseres is vertegenwoordigd door [A] en [B], bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voorts is verschenen vergunninghoudster vertegenwoordigd door [C] en bijgestaan door haar gemachtigde.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank op 16 november 2010 met toepassing van artikel 8:68 van Pro de Awb het onderzoek heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verstrekken.
Verweerder heeft vervolgens de rechtbank schriftelijk geïnformeerd en een kopie hiervan gezonden aan eiser en vergunninghouder.
Eiser en vergunninghouder hebben gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om schriftelijk te reageren op de binnengekomen stukken.
Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend zonder nadere zitting uitspraak te doen, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten op 22 december 2010.
Overwegingen
1. Aan de orde is de vraag of de verleende reguliere bouwvergunning, eerste fase, alsmede de daaraan ten grondslag liggende vrijstelling in de zin van artikel 19, tweede lid van de WRO, ten behoeve van de realisering van het project in rechte stand kan houden.
2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de zaak uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
Het project is op de locatie Hoek Breitnerstraat – Stuiverstraat gelegen. Ten noordoosten van de projectlocatie aan de andere zijde van de Breitnerstraat is een bedrijventerrein gelegen. De bedrijven van dit bedrijventerrein zijn verenigd in eiseres, een vereniging voor bedrijven op het industrieterrein “de Kade” te Eindhoven, die de gemeenschappelijke en individuele belangen van het bedrijventerrein behartigt.
Vergunninghoudster heeft op 23 mei 2008 een verzoek om vrijstelling ten behoeve van het project bij verweerder ingediend. Tevens heeft vergunninghoudster op 29 mei 2008 een aanvraag bouwvergunning eerste fase ingediend. Verweerder heeft op 16 november 2008 het voornemen tot vrijstelling ex artikel 19, tweede lid van de WRO ten behoeve van het bouwplan bekend gemaakt. Verweerder heeft in de door eiseres tijdig ingediende zienswijze geen aanleiding gezien om af te zien van het verlenen van de gevraagde vrijstelling. Bij besluit van 15 mei 2009 heeft verweerder de vrijstelling verleend. Tevens heeft verweerder bij afzonderlijk besluit van 7 mei 2009 de bouwvergunning eerste fase verleend. Met het bestreden besluit is de vaststelling van de commissie voor bezwaarschriften dat de datum van 7 mei 2009 een kennelijke verschrijving is geweest en dat de bouwvergunning eerste fase is verleend na het besluit tot verlening van de vrijstelling, hersteld.
Aan de verleende vrijstelling is de ruimtelijke onderbouwing ‘Lions Park’ aan de Breitnerstraat te Eindhoven van 26 juni 2008 ten grondslag gelegd. In het primaire besluit tot verlening van vrijstelling is voorts verwezen naar de Nota zienswijzen bouwplan Breitnerstraat - Stuiverstraat (verder: de Nota zienswijzen).
De bouwvergunning tweede fase is verleend op 23 december 2009.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de verlening van de vrijstelling en de bouwvergunning eerste fase ongegrond verklaard. Volgens verweerder is sprake van een verzoek om vrijstelling ingediend voor 1 juli 2008 en is derhalve de WRO van toepassing. Volgens verweerder zijn het “Masterplan de Kade” (verder: het Masterplan), noch de daarop volgende “Ontwikkelingsvisie Kanaalzone” (verder: de Ontwikkelingsvisie), waar eiseres een beroep op had gedaan, formeel vastgesteld. Dat neemt volgens verweerder echter niet weg, dat het Masterplan en de Ontwikkelingsvisie bij de besluitvorming kunnen worden betrokken. Volgens verweerder is daarmee rekening gehouden en wordt in het project wonen gecombineerd met bedrijvigheid. Als bedrijven hierdoor schade ondervinden kan een verzoek om schadevergoeding bij het gemeentebestuur worden ingediend. Volgens verweerder zijn aan de zuidzijde van de Breitnerstraat slechts bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 mogelijk. De komst van een woon(zorg)functie in het projectgebied zal geen gevolgen hebben voor het functioneren van de bedrijven op het bedrijventerrein.
4. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat het besluit niet berust op een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing. Bovendien is onvoldoende rekening gehouden met de bedrijfsbelangen van haar leden. Eiseres heeft daartoe gewezen op de ontstaansgeschiedenis van het betreffende bedrijventerrein alsmede het Masterplan en de Ontwikkelingsvisie waarin is opgenomen dat wonen aan de rand van het bedrijventerrein de bedrijvigheid op het bedrijventerrein niet verder mag beperken. Volgens eiseres heeft verweerder bij de vergunningverlening ten behoeve van het project hiermee onvoldoende rekening gehouden. De bedrijven op het bedrijventerrein worden in hun huidige en toekomstige bedrijfsactiviteiten geschaad als gevolg van de milieuregelgeving, de komst van verkeersdrempels op de Breitnerstraat en bijkomende extra verkeersbewegingen. De in het project opgenomen functies zijn volgens eiseres bijzonder gevoelig voor de activiteiten op het bedrijventerrein.
5. Vergunninghoudster heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eiseres zich niet richt tegen de gevolgde procedure, maar uitsluitend ziet op de belangenafweging van verweerder. Vergunninghoudster is van mening dat verweerder in de ruimtelijke onderbouwing bij de vrijstelling, de reactie op de zienswijze en de beslissing op bezwaar voldoende op de belangen van eiseres is ingegaan.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
Op 1 juli 2008 zijn de Wet ruimtelijke ordening (hierna: “Wro”) en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) in werking getreden. Ingevolge artikel 9.1.10, eerste en derde lid, van de Invoeringswet Wro, zoals aangevuld bij artikel 3.6 van de crisis- en herstelwet (hierna: Chw), waaraan ingevolge artikel 5.10, eerste lid, van die wet terugwerkende kracht tot 1 juli 2008 toekomt, is zowel op het verzoek om vrijstelling als op de aanvraag om bouwvergunning het recht van toepassing zoals dat gold ten tijde van het indienen van het verzoek om vrijstelling.
7. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, zoals dit gold voor 1 juli 2008 wordt, de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep in gevolge hoofdstuk 8 van de Awb geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft, zodat het beroep van eiseres, dat zich met name richt tegen de verleende vrijstelling, gelijktijdig met verleende bouwvergunning wordt behandeld.
8. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WRO met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Hierin is, voor zover van belang, bepaald dat indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval wordt ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.
Bij de vraag of het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing komt het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid toe. De rechtbank heeft de vraag of het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing dan ook terughoudend te toetsen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 februari 2006 in zaak nr. 200501120/1, www.raadvanstate.nl), behoeven, naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie geringer is, minder zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project.
9. Ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingplan “Eindhoven binnen de Ring”(hierna: het bestemmingsplan) rust op het projectperceel de bestemming ‘Woondoeleinden’. De gronden ten noordoosten van het projectperceel (aan de andere zijde van de Breitnerstraat hebben de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden (I t/m IV)’ met de aanduiding ‘II’. Deze gronden zijn bestemd voor bedrijven die voorkomen in de aan het bestemmingsplan gehechte ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ in de categorieën 1 tot en met 3 met uitzondering van zogenaamde zoneringsplichtige inrichtingen.
Ingevolge artikel 23.1 van de planvoorschriften mag slechts worden gebouwd overeenkomstig het plan zoals dat door burgemeester en wethouders op grond van artikel 11 van Pro de WRO voor het gebied is uitgewerkt en in werking getreden.
10. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 23.1 van de planvoorschriften en dat de verleende vrijstelling noodzakelijk is ten behoeve van de realisering van het project.
11. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de ruimtelijke onderbouwing bij het project niet voldoet aan de eisen die daaraan in de wet worden gesteld en dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Ter zitting heeft eiseres in dit verband verwezen naar de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (verder: de VNG-brochure) en de hierin vervatte lijsten met richtafstanden en gesteld dat het project is gelegen binnen deze richtafstanden, gemeten vanaf de grens van het bedrijventerrein.
12. Naar het oordeel van de rechtbank voeren verweerder en vergunninghoudster vergeefs aan dat, gelet op de huidige bestemming van het projectperceel, slechts sprake is van een geringe planologische afwijking met het oog op het in artikel 23.1 van de planvoorschriften opgenomen bouwverbod. Zoals in de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven, bevat het geldende bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring” geen voldoende objectief bepaalde voorwaarden om het plan te kunnen uitwerken dan wel op basis van een binnenplanse anticipatie bouwvergunning te verlenen. Het is de rechtbank daarnaast niet gebleken dat in het geldende bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring” bijzondere uitwerkingsvoorwaarden, zoals voorschriften met betrekking tot de situering van bebouwing op het projectperceel zijn opgenomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de conclusie dat slechts sprake is van een geringe afwijking onvoldoende heeft onderbouwd zodat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een geringe afwijking. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval uit de ruimtelijke onderbouwing bij het project, dient te blijken of het goede woon- en leefklimaat van het project is gegarandeerd alsmede dienen de gevolgen van het project voor de omgeving in kaart te zijn gebracht.
13. De rechtbank is van oordeel dat in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende aandacht besteed aan de gevolgen voor het project van het bedrijventerrein aan de overzijde van de Breitnerstraat. De ruimtelijke onderbouwing beperkt zich tot een onderzoek naar gevaren in de directe omgeving als gevolg van de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen (externe veiligheid) en de conclusie dat de functiewijziging niet wordt belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten of hinder veroorzaakt op de omgeving. In de ruimtelijke onderbouwing wordt in het geheel geen aandacht besteed aan het aan de overzijde van de Breitnerstraat gelegen bedrijventerrein dan wel de op dit bedrijventerrein gelegen bedrijven. Derhalve is niet inzichtelijk of het project gevolgen heeft voor de bedrijven op het bedrijventerrein, dan wel of, gelet op het nabijgelegen bedrijventerrein, het goede woon- en leefklimaat van het project voldoende is gegarandeerd. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank reeds hierom van oordeel dat deze ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
14. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat voorafgaand aan het bestreden besluit weliswaar onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het project voor het bedrijventerrein en de gevolgen van het bedrijventerrein voor het woon- en leefklimaat van het project en dat uit dit onderzoek naar voren kwam dat het bedrijventerrein geen belemmering vormt voor het project alsmede dat het project geen belemmering vormt voor het bedrijventerrein. Daarom zou er volgens verweerder niets zijn opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat een onderzoek niets heeft opgeleverd, wat hier ook van zij, verweerder niet ontslaat van de verplichting het bestreden besluit te motiveren dan wel het primaire besluit te baseren op een goede ruimtelijke onderbouwing waarin verslag wordt gedaan van de bevindingen van een dergelijk onderzoek. In ieder geval had het op de weg van verweerder gelegen om in reactie op de zienswijze van eiseres de bevindingen van het betreffende onderzoek op te nemen hetgeen evenmin is gebeurd. In de Nota zienswijzen wordt slechts volstaan met de opmerking dat de komst van de woonfunctie niet zal leiden tot zwaardere milieueisen van gevestigde bedrijven in de omgeving welke opmerking met zoveel woorden is herhaald in het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat hiermee ten onrechte in het midden wordt gelaten of het goede woon- en leefklimaat van het project voldoende is gewaarborgd ondanks het nabijgelegen bedrijventerrein. Bovendien is de opmerking over de gevolgen voor de bedrijven op het bedrijventerrein in de Nota zienswijzen onvoldoende onderbouwd nu niet blijkt waar de betreffende opmerking op is gebaseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is het in de voorgaande rechtsoverweging geconstateerde gebrek in de ruimtelijke onderbouwing niet weggenomen in de Nota zienswijzen, het primaire besluit dan wel het bestreden besluit.
15. De rechtbank concludeert, gelet op voorgaande rechtsoverwegingen dat de ruimtelijke onderbouwing niet toereikend is. Daaruit volgt dat de aanvraag voor de vrijstelling niet is voorzien van de door de wet vereiste goede ruimtelijke onderbouwing. Dit gebrek wordt niet hersteld in het bestreden besluit en het bestreden besluit is hiermee onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
16. Eiseres heeft voorts nog aangevoerd dat de vrijstelling niet is getoetst aan het Masterplan noch aan de Ontwikkelingsvisie. Ter zitting is gebleken dat het Masterplan en de Ontwikkelingsvisie ten tijde van het bestreden besluit noch ten tijde van de mondelinge behandeling op 12 november 2010 zijn vastgesteld. Derhalve valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom in de ruimtelijke onderbouwing aan het project zou moeten blijken dat aan het Masterplan en de Ontwikkelingsvisie is getoetst. Dit ontslaat verweerder echter niet van de verplichting de belangen op zorgvuldige wijze te inventariseren en te wegen en te motiveren op welke wijze rekening is gehouden met de belangen van eiseres. Mede gelet op de voorgaande rechtsoverwegingen is de rechtbank van oordeel dat in het bestreden besluit niet aan deze verplichtingen wordt voldaan. Uit de ruimtelijke onderbouwing bij het project blijkt niet dat rekening is gehouden met de gevolgen van het project voor het bedrijventerrein noch de invloed van het bedrijventerrein op het woon- en leefklimaat van het project. De enkele overweging dat het project niet zal leiden tot zwaardere milieueisen is onvoldoende onderbouwd. Ook de verwijzing naar de mogelijkheid om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen is onvoldoende. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet op het moment dat dit van hem mocht worden verlangd, te weten ten tijde van het primaire besluit, dan wel het thans bestreden besluit, een zorgvuldige belangenafweging daaraan ten grondslag heeft gelegd.
17. Gelet op de voorgaande rechtsoverwegingen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb en artikel 3:46 van Pro de Awb en voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet aanleiding na te gaan of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.
18. Direct voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 12 november 2010 alsmede tijdens de mondelinge behandeling heeft verweerder een aanvullende motivering gegeven. Na heropening van het onderzoek ter zitting heeft verweerder een aanvullende schriftelijke onderbouwing gegeven. Verweerder heeft aangegeven waarom de bebouwing niet op een grotere afstand van het bedrijventerrein is gesitueerd. Voorts heeft verweerder aangegeven dat ter plaatse van het project een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Verweerder wijst er op dat aan de overzijde van de Breitnerstraat ter hoogte van het bouwplan geen bedrijven zijn geprojecteerd. Verweerder zijn geen concrete voornemens of bouwplannen ten behoeve van deze locatie bekend. De nieuwbouw op het bedrijventerrein is niet rechtstreeks mogelijk gelet op het bouwverbod in het bestemmingsplan hangende de uitwerking van het bestemmingsplan en in dit geval kan het bouwverbod slechts worden opgeheven in de vorm van een omgevingsvergunning of na een herziening van het bestemmingsplan. Daarbij zal, na realisering van het project, de woonbebouwing als een gegeven moeten worden beschouwd. Het ligt volgens verweerder in de rede dat in dat geval slechts bebouwing ten behoeve van bedrijvigheid in categorie 1 of 2 kan worden opgericht. Voorts zijn volgens verweerder de bestaande bedrijven beperkt door de bestaande woningen aan de Breitnerstraat en de Adolf van Cortenbachstraat ten noorden en zuiden van het bouwplan en worden deze bedrijven derhalve niet geschaad door het project. Verder zorgt toepassing van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim) dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De gemeente geeft hierbij aan dat de bedrijven op het bedrijventerrein inrichtingen zijn die vallen onder de werkingssfeer van het Barim. Nieuwe bedrijven die zich willen vestigen op het bedrijventerrein zullen ook aan het Barim moeten voldoen. Verweerder geeft voorts aan dat de Breitnerstraat zodanig wordt ingericht dat industrieel verkeer nog steeds goed bij de bestaande bedrijvigheid kan komen waardoor de bedrijvigheid op het bedrijventerrein niet zal worden beperkt. Volgens verweerder is het aantal huidige verkeersbewegingen minimaal omdat er geen meldingen van overlast zijn.
19. Vergunninghoudster heeft in de reactie op deze onderbouwing nog aangegeven dat de Breitnerstraat een 30 km/h zone is.
20. Eiseres heeft gereageerd op de aanvullende onderbouwing van verweerder en is het er niet mee eens. Eiseres stelt dat het bestemmingsplan vestiging van nieuwe bedrijven op rechtstreeks toelaat. Voorts stelt eiseres dat de bestaande woonbebouwing verder weg is gelegen van het bedrijventerrein en dat deze woonbebouwing geen rechtvaardiging kan vormen om direct aan de Breitnerstraat te komen tot gestapelde woningbouw en de toevoeging van vele geluidsgevoelige objecten. Eiseres constateert dat verweerder, in strijd met de uitgangspunten van het geldende bestemmingsplan, reeds nu al een beperking voor toekomstige bedrijven wil aanbrengen en categorie 3 bedrijven niet langer wil toelaten. Volgens eiseres is het toelaten van categorie 1 en 2 bedrijven op een bedrijventerrein in strijd met het provinciale beleid. Het gaat volgens eiseres niet aan om het goede woon- en leefklimaat van nieuwe woningen te zoeken in een beperking van de gebruiksmogelijkheden op het bestaande bedrijventerrein.
21. De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat de VNG-brochure een globaal en indicatief karakter heeft (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2006 LJN AZ3736). Afwijking is mogelijk, maar dient voldoende te worden afgewogen in het licht van het doel van deze aanbeveling en te worden gemotiveerd. Eiseres heeft ter zitting een beroep gedaan op de VNG-brochure zonder hierbij een versie aan te duiden. Gelet op de datum van het primaire besluit, gaat de rechtbank uit van de VNG-brochure van 16 april 2007.
22. Tussen partijen is niet in geschil dat ter plaatse sprake is van het omgevingstype gemengd gebied. De rechtbank ziet, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Eiseres heeft onweersproken gesteld dat op het bedrijventerrein bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 zijn toegelaten. Het bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring” maakt geen onderscheid in bedrijven met milieucategorie 3.1 of milieucategorie 3.2. Niet gebleken is dat in de Staat van bedrijfsactiviteiten bij het bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring” slechts bedrijven in milieucategorie 3.1 van de VNG-brochure zijn toegelaten.
23. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ter zitting ten onrechte gesteld dat de afstand moet worden gemeten vanaf het midden van het bedrijf tot de gevel van de op te richten bebouwing. Het uitgangspunt in de VNG-brochure (zie bijlage 1 bij de VNG-brochure) is dat wordt gemeten vanaf de grens van de bestemming en de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Afwijking van dit uitgangspunt dient gemotiveerd te geschieden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2006, BR 2006,286, overweging 2.7.3). Verweerder heeft geen verdere motivering gegeven voor haar standpunt en de rechtbank ziet derhalve geen aanleiding dit standpunt te volgen.
24. Naar aanleiding van het standpunt van verweerder dat de bedrijven op het bedrijventerrein reeds worden beperkt door de bestaande woonbebouwing aan de Adolf van Cortenbachstraat en de Breitnerstraat, overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de rechtspraak van de Afdeling, vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2010, LJN BK9950, rechtsoverweging 2.8.4.1, volgt dat een bestaande woning die dichter bij het overlast veroorzakende bedrijf is gevestigd dan de op te richten woonbebouwing, in aanmerking kan worden genomen. Bij de beoordeling of ter plaatse van het project een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, dient evenwel niet alleen te worden uitgegaan van de feitelijke situatie doch tevens van hetgeen planologisch mogelijk is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2010, LJN BO7363 en de uitspraak van 20 januari 2010, LJN BK9950, rechtsoverweging 2.8.4.2.)
25. Zoals ter zitting en uit de stukken, in het bijzonder de situatietekening van 29 augustus 2008, project en tekeningnummer 0621.21.001, is gebleken, is het bedrijf Saiko Carstyling aan de Breitnerstraat 11 het meest nabijgelegen bedrijf dat in werking is. Ingevolge artikel 4.64, derde lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer rust op het bedrijf de verplichting een voorziening te treffen indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw is gelegen. Het bedrijf, gemeten vanaf de meest westelijke hoekpunt, ligt enkele meters dichter bij de bebouwing aan de Adolf van Cortenbachstraat dan bij de op te richten bebouwing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de bedrijfsvoering van het bedrijf Saiko Carstyling niet verder wordt beperkt door realisering van het project, nu de hierboven genoemde verplichting om een voorziening te treffen reeds bestaat als gevolg van de aanwezige bebouwing aan de Adolf van Cortenbachstraat.
26. Naar het oordeel van de rechtbank voert eiseres terecht aan dat niet alleen moet worden gekeken naar het feitelijke gebruik van het bedrijventerrein, doch tevens naar het gebruik dat planologisch mogelijk is. Het is planologisch mogelijk om in het bedrijfspand van Saiko Carstyling alsmede in het direct ten noordoosten daarvan gelegen bedrijfsgebouw (verder: het noordoostelijk gelegen bedrijfsgebouw) een bedrijf met milieucategorie 3.2 te vestigen. Het project is dan ruimschoots gelegen binnen de alsdan toepasselijke richtafstand van 50 meter. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de hierboven aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling, vervolgens aan verweerder is om de afwijking van de VNG-brochure nader te motiveren. De rechtbank stelt in dit verband vast dat het noordoostelijk gelegen bedrijfsgebouw dichter bij de op te richten bebouwing van het project is gelegen, op een afstand van circa 27 meter, dan bij de bebouwing aan de Adolf van Cortenbachstraat op een afstand van circa 32 meter. Het argument van verweerder dat bestaande woonbebouwing dichterbij is gelegen, gaat naar het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het noordoostelijk gelegen bedrijfsgebouw niet op.
27. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder dat gebruik van het noordoostelijk gelegen bedrijfsgebouw ten behoeve van een bedrijf in milieucategorie 3.2 rechtstreeks is toegelaten op grond van het bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring”. In tegenstelling tot het onbebouwde terrein aan de overzijde van de Breitnerstraat ter hoogte van het project, valt in dit geval niet in te zien waarom bij ingebruikname van het noordoostelijk gelegen bedrijfsgebouw een omgevingsvergunning dan wel een wijziging van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk is in verband met het bouwverbod in artikel 23.1 van de bestemmingsplanvoorschriften. De omstandigheid dat het noordoostelijk gelegen bedrijfsgebouw thans te huur wordt aangeboden, doet hieraan niet af.
28. Verlening van een omgevingsvergunning zou slechts noodzakelijk zijn indien zich ter plaatse een bedrijf vestigt dat niet valt binnen de werkingssfeer van het Barim. In dat geval zal ingevolge artikel 2.14, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bij verlening rekening moeten worden gehouden met de bestaande toestand van het milieu, waartoe dan tevens behoort de (woon)bebouwing van het project na realisering. Verweerder heeft echter zelf reeds onderkend dat een groot aantal inrichtingen valt binnen de werkingssfeer van het Barim. De rechtbank gaat derhalve hieraan voorbij.
29. Verweerder heeft voorts gesteld dat de enkele toepassing van het Barim ervoor zorgt dat ter plaatse van het project een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Naar het oordeel van de rechtbank is deze enkele overweging onvoldoende. Niet gebleken is dat verweerder onderzoek heeft verricht naar de gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het project. Derhalve is onduidelijk of een bedrijf in milieucategorie 3.2 in het noordoostelijk gelegen bedrijfsgebouw kan voldoen aan de voorschriften van het Barim. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat het Barim weliswaar een breed scala van milieu voorschriften biedt doch dat dit niet wegneemt dat in concrete gevallen extra belemmerende maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Nu vestiging van een bedrijf in milieucategorie 3.2 in het noordoostelijk gelegen bedrijfsgebouw op enig moment niet valt uit te sluiten, valt naar het oordeel van de rechtbank evenmin uit te sluiten dat dit bedrijf in de bedrijfsvoering wordt beperkt na realisatie van het onderhavige project. Gelet op het feit dat onduidelijk is in welke mate sprake zal zijn van enige beperking, kan niet worden volstaan met een verwijzing naar de mogelijkheid om een verzoek tot nadeelcompensatie in te dienen.
30. De rechtbank overweegt bovendien dat de voorschriften van het Barim weliswaar betrekking hebben op veel vormen van hinder maar niet alle vormen van hinder als gevolg van de exploitatie van een bedrijf en zeker niet op de hinder die wel is verbonden aan de uitoefening van een bedrijf doch buiten de locatie van inrichting. Daarnaast is nog steeds onduidelijk of bij een maximale invulling van de milieuruimte op grond van het Barim een goed woon- en leefklimaat ter plaatse is gewaarborgd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het project voorziet in de ontwikkeling van een meerlaags woonzorgcomplex waarvan meerdere zorgappartementen aan de zijde van de Breitnerstraat zijn gelegen en derhalve een forse toename van het aantal woningen binnen de richtafstand ten opzichte van de bestaande situatie.
31. Eiseres heeft nog gewezen op de hinder als gevolg van het verkeer van en naar het bedrijventerrein. Weliswaar heeft verweerder aangegeven dat het aantal verkeersbewegingen van en naar het bedrijventerrein via de Breitnerstraat op dit moment minimaal is, maar dat wil niet zeggen dat in geval van vestiging van een bedrijf in de betreffende bedrijfsgebouwen een toename van verkeersbewegingen zal ontstaan. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd of de Breitnerstraat reeds is aangepast, of dit een noodzakelijke voorwaarde is teneinde alle hinder als gevolg van verkeer van en naar het bedrijventerrein te voorkomen en of, als sprake is van een noodzakelijke voorwaarde, deze voorwaarde reeds is vervuld.
32. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat ondanks de afwijking van de VNG-brochure ter plaatse van het project een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Voorts heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat het bedrijventerrein respectievelijk de afzonderlijke bedrijven, al dan niet bij benutting van de planologische mogelijkheden op basis van het geldende bestemmingsplan in de bedrijfsvoering worden beperkt.
33. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd met betrekking tot de invulling van het onbebouwde terrein aan de overzijde van de Breitnerstraat ter hoogte van het project, behoeft gelet op het bovenstaande geen bespreking meer.
34. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep van eiseres gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten. De rechtbank ziet evenmin aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid in artikel 8:51a van de Awb nu niet op voorhand kan worden bepaald of herstel van de hierboven geconstateerde gebreken, al dan niet na aanpassing van het vergunde bouwplan, mogelijk is. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, zoals door eiseres is verzocht.
35. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 1.092,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
- 1 punt voor het indienen van een beroepschrift
- 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke repliek
- 1 punt voor het verschijnen ter zitting
- waarde per punt € 437,00
- wegingsfactor 1.
De rechtbank ziet voorts aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 298,00 dient te vergoeden.
36. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- bepaalt dat de verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 298,00;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op een bedrag van € 1.092,00, te betalen aan eiseres;
Aldus gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven als rechter in tegenwoordigheid van mr. G.J. Krens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2010.
<HR>
<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>
Afschriften verzonden: