ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ1694
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst bij ziekte en bedrijfseconomische omstandigheden
De werkgever verzocht de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met de werknemer voorwaardelijk te ontbinden, nadat de werknemer zich had beroepen op het opzegverbod wegens ziekte. De werkgever stelde dat vanwege een negatieve bedrijfseconomische situatie en omzetverlies het personeelsbestand ingekrompen moest worden, waarbij ook de werknemer betroffen was. De werknemer was sinds juli 2010 ziek gemeld en gedeeltelijk arbeidsongeschikt sinds 1985, met een zwakke positie op de arbeidsmarkt.
De kantonrechter stelde vast dat de werkgever onvoldoende had aangetoond dat er geen werk meer voor de werknemer beschikbaar zou zijn zodra hij weer arbeidsgeschikt zou zijn. Daarnaast woog de kantonrechter het belang van de werknemer, gelet op zijn leeftijd, langdurige dienstverband en beperkte arbeidsmarktpositie, zwaarder dan het belang van de werkgever bij ontbinding. Het beroep op het opzegverbod wegens ziekte werd niet als rechtstreeks verband met het ontbindingsverzoek gezien.
De kantonrechter concludeerde dat er geen zodanig gewichtige reden was om het voorwaardelijk ontbindingsverzoek toe te wijzen. Het verzoek werd afgewezen en de werkgever werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter M.E. Smorenburg op 14 april 2011.
Uitkomst: Het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen vanwege onvoldoende zwaarwegende bedrijfseconomische redenen en de zwakke arbeidsmarktpositie van de werknemer.