ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8162
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.C.M. van Laar
- J. Ebbens
- T. Dompeling
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over WW-uitkering en fictieve opzegtermijn na Flexwet
Eiser diende een aanvraag in voor een WW-uitkering na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst per 1 juni 1999. Verweerder weigerde een uitkering toe te kennen tot 1 september 1999, later gecorrigeerd naar 5 oktober 1999, gebaseerd op een fictieve opzegtermijn die mede was berekend met toepassing van artikel XXI van de Flexwet.
Eiser maakte bezwaar tegen beide besluiten. Het bezwaar tegen het eerste besluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, het bezwaar tegen het tweede besluit ongegrond. Eiser stelde dat de toepassing van artikel XXI van de Flexwet onterecht was en dat het besluit in strijd was met het zorgvuldigheids-, motiverings- en evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het bezwaar tegen het eerste besluit terecht niet-ontvankelijk had verklaard. Ten aanzien van het tweede besluit stelde de rechtbank vast dat de verwijzing in artikel 16, derde lid, van de WW naar artikel 7:672 BW Pro niet expliciet het overgangsrecht van de Flexwet omvat. De toepassing van artikel XXI van de Flexwet was daarom onjuist en het besluit werd vernietigd. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 3 september 1999 wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onjuiste toepassing van artikel XXI van de Flexwet.