ECLI:NL:RBUTR:2004:AR6626
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- R. in ’t Veld
- J.G.Th. Engelberts
- J. Barkel-van Berchum
- Rechtspraak.nl
Beëindiging van ROA-voorzieningen aan uitgeprocedeerde asielzoeker zonder rechtmatig verblijf
Eiser, een uitgeprocedeerde asielzoeker, betwistte het besluit van de gemeente Utrecht om zijn ROA-voorzieningen, waaronder huisvesting en financiële ondersteuning, per 23 mei 2003 te beëindigen. Hij stelde dat hij nooit formeel was aangezegd Nederland te verlaten en dat zijn verblijf gedoogd werd, waardoor hij recht zou hebben op deze voorzieningen. Tevens voerde hij aan dat beëindiging van de voorzieningen in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro en het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat eiser meerdere malen schriftelijk was aangezegd Nederland te verlaten, onder meer door de korpschef van politie, en dat hij uitgeprocedeerd was zonder rechtmatig verblijf. Hoewel eiser op grond van artikel 3 EVRM Pro niet gedwongen kan worden uitgezet, betekent dit niet dat zijn verblijf wordt gedoogd. De beëindiging van de ROA-voorzieningen was daarom gerechtvaardigd op grond van artikel III van het Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 27 maart 2001.
Verder stelde de rechtbank dat de beëindiging geen ongeoorloofde inmenging vormt in het privé- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, omdat eiser op andere wijze invulling kan geven aan zijn gezinsleven en het gezin niet uit elkaar wordt gehaald. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat eiser zich in een unieke situatie bevindt. Ook kon eiser geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan mededelingen van de minister van Justitie over uitkeringen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de ROA-voorzieningen wordt ongegrond verklaard.