ECLI:NL:RBUTR:2005:AS5144
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geheimhoudingsbeding in mediationovereenkomst als bewijsuitsluiting bij getuigenverhoor
In deze civiele zaak stond centraal of het geheimhoudingsbeding in een mediationovereenkomst het horen van getuigen, waaronder de mediator, over de inhoud en strekking van de vaststellingsovereenkomst uitsluit. De rechtbank bevestigde dat het geheimhoudingsbeding een bewijsovereenkomst is in de zin van artikel 153 Rv Pro, die de rechter in principe bindt.
De rechtbank overwoog dat partijen bij het sluiten van de mediationovereenkomst bewust hebben gekozen voor uitsluiting van bewijs door middel van getuigenverhoor over mediationinhoud. Dit ondanks de wettelijke waarheidsplicht van partijen om feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De mediationregels en het geheimhoudingsbeding verbieden het verstrekken van informatie aan derden, waaronder de rechter, over de mediationprocedure.
Hoewel de vaststellingsovereenkomst op een punt onvolledig was, vond de rechtbank dit onvoldoende reden om het geheimhoudingsbeding te doorbreken. Er was geen noodzaak tot nadere bewijslevering over de afspraken, omdat de overeenkomst ondubbelzinnig bepaalde wat partijen waren overeengekomen. De rechtbank besloot daarom geen getuigen te horen over mediationinhoud en gaf eiser de gelegenheid zich schriftelijk uit te laten over de gevolgen hiervan.
Deze uitspraak benadrukt de bindende werking van geheimhoudingsbedingen in mediation en de beperking die dit kan opleggen aan bewijslevering in civiele procedures.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot getuigenverhoor af vanwege het bindende geheimhoudingsbeding in de mediationovereenkomst.