ECLI:NL:RBUTR:2005:AS7343

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
23 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
SBR 04-2786
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:1 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:52 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen politieke keuze fietsroute Amersfoort

De zaak betreft een bezwaar tegen een besluit van de gemeente Amersfoort over de keuze van een fietsroutevariant tussen Vathorst en het centrum van Amersfoort. De rechtbank oordeelt dat het besluit van 28 april 2004 een politieke keuze betreft die geen direct rechtsgevolg heeft en daarom niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt.

De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin soortgelijke politieke of beleidsmatige keuzes niet als besluiten worden beschouwd omdat zij geen rechten of plichten creëren. De rechtbank benadrukt dat pas in de uitvoeringsfase, bijvoorbeeld via verkeersbesluiten of bestemmingsplanwijzigingen, rechtsgevolg optreedt waarop bezwaar en beroep mogelijk zijn.

De rechtbank verklaart het bezwaar terecht niet-ontvankelijk en wijst het beroep ongegrond. Er zijn geen proceskosten aan verweerder toegekend. Het vonnis is uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Utrecht op 23 februari 2005.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit over de fietsroute is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat het een politieke keuze betreft zonder direct rechtsgevolg.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Reg. nr.: SBR 04/2786
UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:
Vereniging B.O.O.N. (Buiten Om Of Niet),
gevestigd te Amersfoort,
e i s e r e s,
en
de raad van de gemeente Amersfoort,
v e r w e e r d e r.
1. INLEIDING
1.1 Het beroep heeft betrekking op het besluit van verweerder van 31 augustus 2004, bekendgemaakt bij brief van 8 september 2004, waarbij een bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard omdat het niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.2 Bij brief van 13 december 2004 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het beroep met toepassing van artikel 8:52 van Pro de Awb versneld wordt behandeld.
1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 26 januari 2005 waar namens eiseres is verschenen mr. P.M. Groenhart. Namens verweerder is verschenen mr. D.A. Roos, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.
2. OVERWEGINGEN
2.1 Naar aanleiding van een voorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort van 15 april 2004 heeft verweerder bij beslissing van 28 april 2004 (onder meer) medegedeeld wat betreft een fietsverbinding tussen Vathorst en Amersfoort centrum te kiezen voor de variant “Klinket/Hofslot optie A” (“Fietsersbondvariant”). Daarbij is tevens aan het college van burgemeester en wethouders de opdracht gegeven deze variant verder uit te werken in samenspraak met belanghebbenden. Voorts is een tweetal moties aangenomen wat betreft handhaving en controle ten aanzien van bromfietsen en wat betreft groencompensatie.
Op 8 juni 2004 heeft eiseres tegen de beslissing van 28 april 2004 een bezwaarschrift ingediend, waarna verweerder het onder 1.1 genoemde besluit heeft genomen. Eiseres stelt met name dat door deze beslissing de door haar voorgestane variant voor de betreffende fietsroute niet meer bespreekbaar is.
2.2 Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan, een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Ingevolge artikel 8:1 van Pro de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.
2.3 Voornoemd artikel 1:3, eerste lid, Awb brengt met zich dat een besluit op (extern) rechtsgevolg moet zijn gericht, in die zin dat wordt beoogd een wijziging te bewerkstelligen in de rechtsverhouding tussen (in dit geval) burger(s) en overheid. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat daarvan in dit geval sprake is.
Met de beslissing van verweerder van 28 april 2004, welke beslissing overigens niet is gebaseerd op een specifieke wettelijke grondslag, wordt naar het oordeel van de rechtbank niet meer beoogd dan het verkrijgen van (politieke) instemming van verweerder met de keuze voor de ligging van het betreffende fietspad. Pas wanneer het project in de uitvoeringsfase komt, worden zo nodig van belang zijnde, op rechtsgevolg gerichte, beslissingen genomen, zoals verkeersbesluiten dan wel besluiten gebaseerd op planologische regelgeving. De beslissing van 28 april 2004 heeft dan ook als voornaamste doel het richting geven aan toekomstige ontwikkelingen alsmede afstemming van beslissingen op bestuurlijk niveau. Daarnaast geeft een dergelijke (politieke) beslissing aan derden inzicht in hetgeen zij in de toekomst kunnen verwachten. Dit besluit strekt er echter niet toe dat de aanleg van een fietsroute reeds is toegestaan.
Het feit dat wel (bijvoorbeeld in de aangenomen moties) reeds ingegaan wordt op de concrete invulling van het betreffende gebied die verweerder voor ogen staat, doet aan het vorenstaande niet af.
In dit verband merkt de rechtbank nog dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat het niet uitgesloten is dat alsnog een andere (politieke) keuze wordt gemaakt, als er de uitvoering van de thans gekozen variant op onoverkomelijke bezwaren stuit. Verder heeft verweerder aangegeven dat de fietsroute onderdeel uitmaakt van een bredere besluitvorming die uiteindelijk tot wijziging van een bestemmingsplan zal moeten leiden. Daarbij zullen er volgens verweerder ook verkeersbesluiten nodig zijn. Eiseres heeft derhalve de gelegenheid om naar aanleiding van die besluiten rechtsmiddelen in te stellen.
2.4 Voorts wijst de rechtbank, ter ondersteuning van haar oordeel, nog op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 17 december 2003, gepubliceerd in AB 2004, 94, waarbij een beslissing (zonder wettelijke grondslag) over een raamplan en een uitvoeringsmodule voor herinrichting geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is geacht. Tevens wordt gewezen op de uitspraak van de ABRS van 6 mei 1996, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder het LJN-nummer ZF2116, waarbij een tracébesluit (zonder wettelijke grondslag) geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb is geacht, omdat slechts van belang is of uit het besluit rechten en plichten voortvloeien en dat daar niet het geval was.
2.5 Gelet op het voorgaande kan de genoemde beslissing van verweerder van 28 april 2004 naar het oordeel van de rechtbank niet als een besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.
2.6 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bezwaren van eiseres bij het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Het beroep is dan ook ongegrond. Er is derhalve geen reden om verweerder in de proceskosten van eiseres te veroordelen.
2.7 De rechtbank beslist als volgt.
3. BESLISSING
De rechtbank Utrecht,
recht doende,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. T. Dompeling, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2005.
De griffier: Het lid van de enkelvoudige kamer:
mr. E.M. Tol mr. T. Dompeling
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage.