ECLI:NL:RBUTR:2005:AT3434
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.F. Bandringa
- J.G.Th. Engelberts
- Y. Sneevliet
- Rechtspraak.nl
Recht op bijstand en toepasselijkheid overgangsrecht WWB bij opschorting en intrekking
Eiser ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Na onduidelijkheden over zijn verblijfplaats werd zijn uitkering per 17 november 2003 opgeschort en later ingetrokken omdat hij niet meewerkte aan een onderzoek naar zijn feitelijke woonadres. Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat hij wel degelijk woonde op het opgegeven adres en bereid was tot medewerking.
De rechtbank oordeelt dat de Wet Werk en Bijstand (WWB), die op 1 januari 2004 in werking trad, ook van toepassing is op besluiten die na die datum zijn genomen, ook als zij betrekking hebben op een periode daarvoor. De rechtbank stelt vast dat verweerder het onjuiste wetsregime (Abw) heeft toegepast en dat het besluit op basis van de WWB getoetst moet worden.
Hoewel eiser aanvankelijk weigerde mee te werken aan een huisbezoek, gaf hij later aan daartoe bereid te zijn. Het huisbezoek vond plaats waarbij werd vastgesteld dat de woning een bewoonde indruk maakte en dat de situatie niet wezenlijk was veranderd. De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende bewijs heeft geleverd dat eiser niet op het opgegeven adres woonde en vernietigt het besluit tot intrekking van de bijstand.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht en draagt op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Hiermee wordt het belang van correcte toepassing van overgangsrecht en zorgvuldige toetsing van woonplaats in bijstandszaken benadrukt.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd.