ECLI:NL:RBUTR:2006:AW4860
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlening voorwaardelijke machtiging op grond van Wet BOPZ ondanks zwakbegaafdheid betrokkene
De rechtbank Utrecht behandelde een verzoek tot verlening van een voorwaardelijke machtiging op grond van artikel 14a van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ). Betrokkene, die als zwakbegaafd met een IQ van 72 wordt aangemerkt, verblijft al geruime tijd onder voorwaarden buiten de instelling. De rechtbank oordeelt dat deze zwakbegaafdheid op zichzelf niet betekent dat betrokkene niet in staat is zijn wil te bepalen.
Tijdens de zitting verklaarde betrokkene zich akkoord met het behandelingsplan en de voorwaarden die aan zijn verblijf zijn verbonden. De behandelend psychiater stelde dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat het gevaar dat hij veroorzaakt alleen kan worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden buiten het psychiatrisch ziekenhuis. Het psychiatrisch ziekenhuis is bereid betrokkene op te nemen indien de voorwaarden niet worden nageleefd.
De rechtbank weegt mee dat betrokkene in staat is gebleken de voorwaarden te begrijpen en na te leven en dat het ontwerp van wet tot wijziging van de Wet BOPZ een verruiming van het criterium voor verlening van een voorwaardelijke machtiging beoogt. Gezien deze omstandigheden ziet de rechtbank voldoende gronden om de voorwaardelijke machtiging te verlenen voor de duur van zes maanden, ingaande 5 april 2006, met de voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt overeenkomstig het behandelingsplan.
Uitkomst: De rechtbank verleent een voorwaardelijke machtiging voor zes maanden met de voorwaarde dat betrokkene zich houdt aan het behandelingsplan.