ECLI:NL:PHR:2006:AZ2049
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over instemming en bereidverklaring bij voorwaardelijke machtiging Wet Bopz
In deze zaak heeft de rechtbank Utrecht op 21 augustus 2006 een voorwaardelijke machtiging verleend aan een vrouw met een paranoïde psychose, ondanks haar verzet tegen de machtiging. De Hoge Raad heeft overwogen dat de wet vereist dat de betrokkene instemt met het behandelplan en zich bereid verklaart de voorwaarden na te leven, maar niet dat zij instemt met de machtiging zelf of de mogelijke gedwongen opname bij niet-naleving.
De rechtbank had vastgesteld dat betrokkene het behandelplan had ondertekend en ondanks haar spijt en verzet, tijdens de zitting verklaarde het behandelplan en de voorwaarden te willen naleven. De Hoge Raad bevestigde dat deze instemming en bereidverklaring de wettelijke vereisten zijn voor het verlenen van een voorwaardelijke machtiging volgens artikel 14a van de Wet Bopz.
De Hoge Raad benadrukte dat de betrokkene moet kunnen overzien dat bij niet-naleving van de voorwaarden alsnog een gedwongen opname kan volgen, maar dat dit geen voorwaarde is voor instemming met het behandelplan. Het beroep in cassatie werd verworpen omdat de rechtbank de juiste maatstaf had toegepast en haar oordeel voldoende had gemotiveerd.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de voorwaardelijke machtiging werd bevestigd.