ECLI:NL:RBUTR:2006:AY6079
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlening voorwaardelijke machtiging op grond van Wet BOPZ ondanks ontbreken expliciete instemming betrokkene
De rechtbank Utrecht behandelde op 19 juni 2006 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging op grond van artikel 14a van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ). Betrokkene, een man met schizofrenie van het paranoïde type, was niet verschenen bij de zitting en gaf daarmee aan niet gehoord te willen worden. De rechtbank baseerde zich op het behandelingsplan, een met redenen omklede verklaring, en de verklaringen van een psychiater en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige.
Hoewel de wet vereist dat betrokkene instemt met het behandelplan en zich bereid verklaart de voorwaarden na te leven, ontbrak deze instemming. De rechtbank erkende dat deze eis in de praktijk leidt tot problemen voor patiënten die zich niet bereid tonen tot instemming, waardoor zij tussen wal en schip vallen. De rechtbank nam kennis van een wetsvoorstel dat deze eis versoepelt, zodat een machtiging kan worden verleend indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat betrokkene zich zal houden aan het behandelplan en de voorwaarden.
Gezien de langdurige naleving van voorwaarden door betrokkene onder een eerdere machtiging en de deskundige verklaringen achtte de rechtbank het aannemelijk dat betrokkene zich onder behandeling zal stellen en de voorwaarden zal naleven. Daarom verleende de rechtbank vooruitlopend op de wetswijziging een voorwaardelijke machtiging voor zes maanden met de voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt conform het behandelplan. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven.
Uitkomst: De rechtbank verleent een voorwaardelijke machtiging voor zes maanden ondanks het ontbreken van expliciete instemming van betrokkene.