ECLI:NL:RBUTR:2007:AZ8900
Rechtbank Utrecht
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- H.L.M. van Rooijen
- Rechtspraak.nl
Vergunning voor vellen knotwilgen voor aanleg Nouw-2 terecht verleend
De Utrechtse Bomenstichting maakte bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2006 waarbij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht een vergunning verleende voor het vellen van 50 knotwilgen ten behoeve van de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg Nouw-2. Na vernietiging van eerdere besluiten door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nam het college een nieuw besluit dat opnieuw werd aangevochten.
De rechtbank toetste of de bomen de in artikel 88, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) genoemde waarden bezaten en of het college bij de belangenafweging in redelijkheid tot vergunningverlening kon komen. Een deskundigenrapport concludeerde dat de knotwilgen geen of slechts beperkte natuur-, milieu-, landschappelijke, cultuurhistorische, stads- of recreatiewaarde hadden.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het belang van de vergunninghouder bij de aanleg van Nouw-2 zwaarder woog dan het belang van de bomenstichting bij behoud van de bomen. Ook werd geoordeeld dat het college niet verplicht was een voorwaarde te verbinden dat pas gekapt mocht worden na verlening van een bouwvergunning. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de kapvergunning is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.