RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummers: SBR 2006/2804, SBR 2006/2807, SBR 2006/2867 en SBR 2006/2977
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2007
[eisers],
allen wonende te Houten,
e i s e r s,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten,
v e r w e e r d e r.
Inleiding
1.1 Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 juni 2006, waarbij verweerder de bezwaren van eisers tegen het besluit van 19 januari 2006 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan LSI De Koppeling B.V. i.o. (verder: vergunninghouder) met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling en een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw met bijbehorend parkeerterrein op het perceel De Koppeling te Houten (verder: het perceel).
1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 1 september 2006, waar eisers [eisers deels] in persoon zijn verschenen. Eiser [eiser] heeft zich bij laten staan door mr. E. Schaap-Enterman, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, en ir. B. Hoekstra, adviseur luchtverontreiniging bij Tauw. Vergunninghouder is verschenen bij gemachtigde
mr. A. Kaspers, advocaat te Amsterdam, en S. Bouwmans, werkzaam bij vergunninghouder. Gedeputeerde Staten (GS) van Utrecht zijn verschenen bij W.G. Takken, werkzaam bij de provincie Utrecht. Tevens zijn verschenen ing. J. Geleijns en dr. ing. H.A.E. Simons, beiden werkzaam bij Lichtveld Buis & Partners B.V..
1.3 Aangezien ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest is het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend. In het kader daarvan heeft verweerder nadere stukken overgelegd en vragen van de rechtbank beantwoord. Voorts hebben GS vragen van de rechtbank beantwoord en zijn partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld op de nadere stukken te reageren.
1.4 Vervolgens zijn de beroepen behandeld ter zitting van 23 januari 2007. Eisers [eiser], [eisers deels] zijn in persoon verschenen. Eiser [eiser] heeft zich bij laten staan door mr. E. Schaap-Enterman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Breeman en ir. B. Hoekstra alsmede drs. L.L.M. Hermans, werkzaam bij de gemeente Houten.
Vergunninghouder is verschenen bij gemachtigde mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Amsterdam, S. Bouwmans en L.R. Smits, beiden werkzaam bij vergunninghouder. GS van Utrecht zijn verschenen bij W.G. Takken, ir. J. de Rooij en mr. dr. H.J. de Vries, allen werkzaam bij de provincie Utrecht. Tevens zijn verschenen ing. J. Geleijns voornoemd en H.C. Andriesse, werkzaam bij Goudappel Coffeng.
Overwegingen
2.1 Op 17 augustus 2005 is door vergunninghouder een aanvraag om een bouwvergunning ingediend, strekkende tot het oprichten van een kantoorgebouw met parkeerterrein. Het kantoorgebouw heeft een bruto vloeroppervlakte van circa 28.773 m² en een bruto inhoud van circa 110.210 m³, terwijl het bouwplan voorts voorziet in 500 parkeerplaatsen.
Aangezien het bouwplan in strijd is met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Globaal bestemmingsplan Houten Vinex”, heeft verweerder GS verzocht om afgifte van een verklaring van geen bezwaar. GS hebben de verklaring van geen bezwaar verleend op 20 december 2005.
Verweerder heeft de bouwaanvraag voorts ter advisering in handen gesteld van de Commissie Welstand en Monumenten Midden Nederland (hierna: de welstandscommissie), die op 4 augustus 2005, 30 augustus 2005 en 12 september 2005 verweerder heeft geadviseerd. In laatstgenoemd advies heeft de welstandscommissie geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.
2.2 Bij besluit van 19 januari 2006 heeft verweerder aan vergunninghouder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO en een bouwvergunning verleend voor het oprichten van het kantoorgebouw.
Tegen dit besluit van verweerder is door eisers bezwaar gemaakt. Deze bezwaren zijn op
20 maart 2006 en 20 april 2006 mondeling behandeld door de Bezwarencommissie gemeente Houten, welke commissie verweerder op 8 juni 2006 van advies heeft gediend.
Vervolgens heeft verweerder bij het thans bestreden besluit de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten in de bezwaarfase afgewezen. Tegen dit besluit van verweerder is door eisers beroep ingesteld, waarbij het volgende - kort samengevat - is aangevoerd.
Eisers hebben betoogd dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe hebben zij aangevoerd dat het bouwplan strijdig is met het Streekplan 2005-2015, met het Regionaal Structuurplan en het gemeentelijk beleid, neergelegd in de proefverkaveling.
Voorts hebben eisers aangevoerd dat het aantal benodigde parkeerplaatsen door verweerder niet deugdelijk wordt gemotiveerd, waarbij zij hebben gewezen op het feit dat verweerder heeft nagelaten de parkeernorm te baseren op het bereikbaarheidsprofiel van de locatie en het mobiliteitsprofiel van grote bedrijven in de ICT-sector. Verweerder is daarbij naar de mening van eisers uitgegaan van onwaarschijnlijke aannames, die sterk afwijken van het Nederlandse gemiddelde.
Eisers hebben voorts gewezen op de alternatieven voor het kantoorgebouw in de gemeente Houten, waarbij zij met name hebben gewezen op het bedrijventerrein de Meerpaal.
Eisers zijn van mening dat de consequenties van het bouwplan voor de luchtkwaliteit aanzienlijk zijn en dat op grond daarvan niet tot verlening van de gevraagde vergunning kon worden overgegaan. Naar de mening van eisers voldoet het bouwplan niet aan de luchtkwaliteitsnormen, temeer nu de invloed van de scheepvaartbewegingen over het Amsterdam-Rijnkanaal niet is meegenomen bij de berekening van de PM10 concentratie. Eisers zijn van mening dat de zogenoemde zeezoutaftrek bij de berekening van de PM10 concentratie niet is toegestaan. Eisers hebben gewezen op de omstandigheid dat verweerder verschillende rapporten heeft laten uitbrengen over de luchtkwaliteit, waarin telkens sprake is van verschillende cijfers, aannames en dus uitkomsten.
Daarnaast zijn eisers van mening dat sprake zal zijn van onaanvaardbare toename van geluidsoverlast en dat verweerder de akoestische gevolgen van het plan onvoldoende heeft onderzocht. Eisers hebben in dit verband gewezen op het feit dat de geluidbelasting hoger ligt dan 50 dB(A).
Verweerder heeft in de loop van deze procedure meegedeeld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het delegatiebesluit van 5 februari 2002, aangezien de gemeenteraad bij dat besluit de bevoegdheid om te beslissen op bezwaarschriften, ingediend in het kader van procedures als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, aan zich heeft gehouden. Verweerder acht dit delegatiebesluit, voor zover de gemeenteraad zich deze bevoegdheid voorbehoudt, evenwel in strijd met de Awb en derhalve in zoverre onverbindend althans in dit geval niet van toepassing. Verweerder is van mening dat zij het bestreden besluit bevoegd heeft genomen.
2.3 De rechtbank overweegt als volgt.
2.4 De rechtbank heeft geconstateerd dat de gemeenteraad de in de eerste volzin van artikel 19, eerste lid, van de WRO bedoelde vrijstellingsbevoegdheid bij besluit van 5 februari 2002 heeft gedelegeerd aan verweerder. Geoordeeld moet dan ook worden dat verweerder bevoegd was tot het nemen van het besluit van 19 januari 2006, waarbij aan vergunninghouder met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling en vergunning is verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw met bijbehorend parkeerterrein op het perceel.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verweerder eveneens bevoegd was tot het nemen van het thans bestreden besluit op bezwaar van 27 juni 2006.
De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend aangezien het op grond van de Awb niet mogelijk moet worden geacht dat de beslissing op bezwaar door een ander bestuursorgaan wordt genomen dan het bestuursorgaan dat het primaire besluit op basis van een gedelegeerde bevoegdheid heeft genomen. De omstandigheid dat de gemeenteraad in het delegatiebesluit van 5 februari 2002 de bevoegdheid om te beslissen op bezwaarschriften aan zich heeft gehouden, kan daaraan niet afdoen, temeer niet nu de gemeenteraad op grond van artikel 10:17 van de Awb de gedelegeerde bevoegdheid niet meer zelf kan uitoefenen.
2.5 Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het vigerende bestemmingsplan ter plaatse geldende bestemming “Bedrijfsdoeleinden”. Om medewerking aan het bouwplan te verlenen heeft verweerder op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling verleend.
Ingevolge het eerste lid van artikel 19 van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van GS de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat realisatie van het kantoorgebouw op het perceel tot de mogelijkheden behoort, nu in het Streekplan is aangegeven dat het locatiebeleid is aangepast, in die zin dat de provincie instemt met een kantoorontwikkeling op het perceel. Verweerder heeft gewezen op het Regionaal Structuurplan 2005-2015, waarin het perceel als kantorenlocatie is opgenomen. Tevens heeft verweerder gesteld dat het bouwplan past binnen de vastgestelde proefverkaveling.
Met betrekking tot de luchtkwaliteit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat als gevolg van het bouwplan geen sprake zal zijn van overschrijding van de normen uit het Besluit luchtkwaliteit 2005. Verweerder heeft daartoe verwezen naar een aantal rapporten die met het oog op de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn opgesteld.
Verweerder heeft voorts gesteld dat de Wet Geluidhinder (WGH) toepassing mist, nu het bestreden besluit geen betrekking heeft op de woningen aan de [adres]. Met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen dat in het bouwplan is opgenomen, is verweerder van mening dat voldaan wordt aan de parkeernorm.
2.6 Met betrekking tot eisers bezwaren dat het bouwplan een toereikende ruimtelijke onderbouwing ontbeert overweegt de rechtbank het volgende.
GS hebben zich met betrekking tot de afgegeven verklaring van geen bezwaar op het standpunt gesteld dat op basis van het door de provincie vastgestelde Streekplan 2005-2015 het locatiebeleid is aangepast en dat de provincie in het reguliere overleg met de gemeente heeft aangegeven in te stemmen met een kantoorontwikkeling langs De Koppeling. Voorts is gesteld dat in het ontwerp Regionaal Structuurplan 2005-2015 de locatie als kantoorlocatie is opgenomen en dat de gemeente Houten in het kader van de actualisatie van het regionaal structuurplan binnen het Bestuur Regio Utrecht extra kantoorprogramma toegewezen heeft gekregen van 70.000 m² bruto vloeroppervlak.
Mede in aanmerking genomen de nadere toelichting van verweerder van 26 oktober 2006 en de toelichting van GS van 23 oktober 2006 op de verleende verklaring van geen bezwaar, ziet de rechtbank geen aanleiding om eisers te volgen in hun stelling dat verweerder, door gebruik te maken van de verleende verklaring van geen bezwaar, medewerking heeft verleend aan een bouwplan dat niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.
Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het Streekplan 2005-2015 van de provincie Utrecht, waaronder de daarbij behorende kaartenbijlage, blijkt dat de gemeente Houten als geheel als “gemengd woon/werkmilieu” is aangeduid en dat in Houten centraal een “bedrijvenmilieu: specifiek kantoren” is aangegeven. Op de plankaart Streekplan Utrecht is aangegeven dat de hiervoor vermelde gebieden binnen het stedelijk gebied/rode contour vallen, binnen welke categorie alle stedelijke functies vallen, zoals wonen, werken, voorzieningen en stedelijk groen.
Nu de in het betreffende Streekplan opgenomen aanduidingen een indicatief karakter hebben - in het Streekplan zijn, zoals blijkt uit het gestelde onder punt 1.3 van dat Streekplan, immers geen concrete beleidsbeslissingen opgenomen - moet worden geoordeeld dat verweerder een grote mate van vrijheid heeft in het bepalen van de begrenzing van de vestigingslocatie.
Voorts laat het Streekplan de exacte verdeling van het aantal m² bruto vloeroppervlak per gemeente en locatie over aan het Bestuur Regio Utrecht, die toetst of de te realiseren individuele kantoorgebouwen passen binnen de programmatische opgave voor de kern.
Gezien deze GS toekomende beleidsvrijheid en in aanmerking nemende dat in het Streekplan uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt geboden om een kantoorlocatie op het perceel te realiseren, moet worden geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met het Streekplan en het Regionaal Structuurplan 2005-2015.
Eisers hebben nog gesteld dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat het kantoorgebouw reeds is verhuurd aan Getronics PinkRoccade en dat niet is voldaan aan de in het Regionaal Structuurplan 2005-2015 zogenoemde voorverhuureis, die inhoudt dat bij de ontwikkeling van kantoorlocaties 75% vooraf moet zijn verhuurd. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat, gezien de in de loop van de procedure overgelegde huurovereenkomst tussen LSI Development en Getronics Nederland B.V., aan die eis is voldaan.
Wat betreft de door eisers gestelde strijdigheid met de op 14 juni 2005 door de raad van de gemeente Houten vastgestelde proefverkaveling, overweegt de rechtbank dat daarmee is beoogd de ontwikkelingsrichting van het bedrijventerrein De Koppeling-De Schaft vast te stellen. Gebleken is dat het bouwplan in overeenstemming is met de proefverkaveling, zij het dat de kantoorbebouwing aan de westelijke rotonde voor Getronics, anders dan in de proefverkaveling, bolvormig is vormgegeven en de aanvankelijk voorziene grote unit van 12.500 m² en de kleine units van 2.000 tot 4.000 m² zijn vervangen door een groot gebouw. Anderzijds voorziet de proefverkaveling in 50.000 m² bruto vloeroppervlak, terwijl het bouwplan 28.773 m² bruto vloeroppervlak omvat. De rechtbank is van oordeel dat, in aanmerking genomen de aard en omvang van voornoemde afwijkingen, verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan niet in strijd is met het gemeentelijk beleid.
Met betrekking tot eisers stelling dat zij het kantoorgebouw liever op bedrijventerrein de Meerpaal zien geprojecteerd, met name omdat die locatie (langs snelweg) veel eenvoudiger is te bereiken, merkt de rechtbank in dit verband op dat verweerder heeft te beslissen over het bouwplan, zoals dat bij hem is ingediend. Indien dit bouwplan aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking daarvan een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Niet aannemelijk is gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is.
2.7 Met betrekking tot eisers bezwaren omtrent de WGH overweegt de rechtbank als volgt.
Ingevolge artikel 76a, eerste lid, van de WGH worden bij het nemen van een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74 van de WGH, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere gebouwen dan woningen of van andere geluidsgevoelige objecten binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 als de ten hoogste toelaatbare wordt aangemerkt.
Ingevolge het tweede lid van artikel 76a van de WGH nemen GS bij hun beslissing over het verlenen van een verklaring van geen bezwaar ten behoeve van het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, het bepaalde in dat lid in acht.
Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de WGH is de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 50 dB(A).
Ingevolge artikel 82, tweede lid, van de WGH kunnen bij algemene maatregel van bestuur waarden worden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, van de gevel van andere gebouwen dan woningen, alsmede van andere geluidsgevoelige objecten binnen een zone.
Artikel 4 van het, mede op artikel 82 van de WGH steunende en ten tijde van dit geding van toepassing zijnde, Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen bepaalt:
1. Behoudens het bepaalde in de artikelen 5, 7 en 8 is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de in het tweede lid, onder a tot en met e, genoemde categorieën van gebouwen binnen de zone van die weg 50 dB(A).
2. De in het eerste lid bedoelde gebouwen zijn:
a. basisscholen;
b. scholen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs;
c. instellingen voor hoger beroepsonderwijs;
d. algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen;
e. andere gezondheidszorggebouwen dan bedoeld onder d.
3. Een gymnastieklokaal maakt voor de toepassing van dit besluit geen deel uit van de in het tweede lid, onder a, b en c, genoemde scholen.
De rechtbank stelt vast dat bij een aantal woningen aan de [adres], gelegen naast de aangelegde geluidwal, in het verleden sprake was van een geluidbelasting op de gevels van die woningen die hoger was dan de hoogste toelaatbare geluidbelasting van 50 dB(A), namelijk een geluidbelasting van maximaal 52 dB(A). In verband daarmee zijn door GS, naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag van de zijde van verweerder, medio 1989 ontheffingen verleend, waarbij een hogere geluidbelasting is aanvaard van 51 dB(A) en 52 dB(A). Vanwege onder meer een toename van de verkeersintensiteit is nadien de geluidbelasting op de gevels van de betreffende woningen toegenomen. Deze geluidbelasting is na de reconstructie van de Koppeling weer afgenomen door onder meer verlaging van de maximumsnelheid en toepassing van geluidreducerend asfalt.
Uit de stukken blijkt dat door de reflectie, die zal ontstaan na realisering van het bouwplan, de geluidbelasting op de gevels van de tegenoverliggende woningen aan het [adres] met maximaal 1 dB(A) zal toenemen en ook hoger zal blijven dan de verleende ontheffing van GS.
Anders dan eisers hebben gesteld, volgt uit het vorenstaande evenwel niet dat het bestreden besluit vernietigd dient te worden wegens strijd met de WGH.
Geoordeeld moet worden dat het te realiseren kantoorgebouw van Getronics niet kan worden aangemerkt als een geluidgevoelig object als bedoeld in de WGH in samenhang met het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen. Toetsing van dit bouwplan aan het bepaalde in artikel 76a van de WGH, welk artikel alleen betrekking heeft op het gebouw waarvoor vrijstelling is verleend, is in de onderhavige situatie dan ook niet aan de orde. Dat een aantal woningen aan de [adres] wordt geconfronteerd met een hogere geluidbelasting als gevolg van de reflectie van het te realiseren kantoorgebouw, maakt vorenstaande niet anders, nu het besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO geen betrekking heeft op die woningen, en in dit geval bovendien geen sprake is van een reconstructie van een weg als bedoeld in artikel 1 van de WGH.
Hetgeen hiervoor is overwogen impliceert overigens niet dat het aspect van de geluidhinder niet kan worden betrokken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het thans voorliggende besluit, nu de rechtbank zal moeten beoordelen of verweerder, met inachtneming van alle daarvoor in aanmerking komende belangen, in redelijkheid heeft kunnen komen tot het verlenen van de vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor de omgeving geen onaanvaardbare toename van de geluidhinder zal optreden als gevolg van het bouwplan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het woon- en leefklimaat van omwonenden qua geluidbelasting op de gevels van de woningen door tal van maatregelen in de loop der tijd is verbeterd. De omstandigheid dat door het bouwplan sprake zal zijn van een toename van 1 dB(A) leidt, gelet op de geringe toename, niet tot een ander oordeel.
2.8 Met betrekking tot eisers bezwaren ten aanzien van de luchtkwaliteit overweegt de rechtbank als volgt.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) nemen bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van de wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.
Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van het Blk 2005, voor zover hier van belang, wordt hier in ieder geval de bevoegdheid als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening onder begrepen.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a en b, van het Blk 2005 geldt voor NO2 een grenswaarde van 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010, en een grenswaarde van 200 microgram per m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden.
Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
a. 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie;
b. 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.
Verweerder heeft haar oordeel dat bij realisatie van het bouwplan wordt voldaan aan de grenswaarden als vermeld in het Blk 2005 onder meer gebaseerd op het rapport van 30 maart 2006. In dat rapport zijn de resultaten neergelegd van het onderzoek naar de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit.
Op basis van de uitgevoerde berekeningen wordt in dit rapport geconcludeerd dat geringe overschrijdingen van de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie NO2 in de huidige situatie slechts op enkele wegvakken zullen plaatsvinden en dat van overschrijdingen in (in ieder geval) 2010 en 2015 van de grenswaarden geen sprake meer zal zijn. Ook de uurgemiddelde concentratie NO2 voldoet ruimschoots aan de gestelde grenswaarde. Voorts is in het rapport vermeld dat de grenswaarde voor de jaargemiddelde en vierentwintiguurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) in de jaren 2005, 2008, 2010 en 2015 niet wordt overschreden.
De concentratie PM10 wordt op enkele locaties in 2003 meer dan 35 maal per kalenderjaar overschreden. In de toekomstige situatie vindt naar verwachting echter geen overschrijding meer plaats van deze grenswaarde. Voor de andere beschouwde stoffen worden geen overschrijdingen berekend van de grenswaarden.
Naast de bevindingen, zoals neergelegd in het rapport van 30 maart 2006, heeft verweerder het oordeel dienaangaande gebaseerd op het rapport van Tauw van 20 april 2006, welk oordeel nadien is bevestigd door het Luchtkwaliteitsplan van augustus 2006.
De bevindingen in laatstgenoemde rapporten bevestigen de conclusie dat de grenswaarden niet worden overschreden op een wijze als bedoeld in het Blk 2005. Tenslotte heeft verweerder nog gewezen op het rapport van 20 oktober 2006 van Goudappel Coffeng.
Eisers hebben aangevoerd dat bij de berekening van de gevolgen voor de luchtkwaliteit is uitgegaan van verouderde gegevens over het aantal verkeersbewegingen en een verouderd verkeersmodel is gebruikt. De rechtbank is echter van oordeel verweerder op goede gronden geen rekening heeft gehouden met verkeersbewegingen die het gevolg zijn van voorgenomen ontwikkelingen waarvoor nog geen bouwvergunning is verleend of een verklaring van geen bezwaar door GS is afgegeven. De gevolgen van toekomstige ontwikkelingen voor de luchtkwaliteit zullen zonodig te zijner tijd worden beoordeeld bij de toepassing van bevoegdheden die op die toekomstige ontwikkelingen betrekking hebben. Bij die toekomstige beoordelingen zal overigens wel rekening moeten worden gehouden met de verkeersbewegingen die onderhavig bouwplan tot gevolg heeft. De rechtbank merkt voorts op dat uit het rapport van 8 april 2005 van Goudappel Coffeng blijkt dat het betreffende verkeersmodel weliswaar is gebaseerd op verkeerstellingen uit 1999, maar dat deze gegevens vervolgens telkens zijn bijgesteld op basis van sociaal economische prognoses. Ook blijkt uit dat rapport reeds dat de juistheid van het model is getoetst aan de hand van verkeerstellingen die in 2004 plaats hebben gevonden op De Molen. Ter zitting heeft H.C. Andriesse daarover nog toegelicht dat ook in 2005 een etmaalmodel is gebouwd dat is gebaseerd op het regionale verkeersmodel dat een basis heeft in tellingen uit 1999. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aldus door verweerder verkregen en gehanteerde gegevens zodanige gebreken vertonen dat verweerder zich daarop niet mocht baseren. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat verweerder steeds inzage heeft gegeven in de aantallen verkeersbewegingen die voor de berekening van de luchtkwaliteit zijn gehanteerd. Eisers hebben hun stelling dat de door verweerder gehanteerde gegevens onjuist zijn niet onderbouwd met een rapportage van een deskundige.
Partijen verschillen ook van mening over het gehanteerde wegtype bij de meetpunten die zijn gelegen op de Koppeling. De bepaling van het wegtype is van belang voor de bepaling van de invloed van uitlaatgassen op de luchtkwaliteit. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op de Koppeling sprake is van wegtype 2. Eisers hebben aangevoerd dat volgens hen sprake is van wegtype 3a. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Blijkens de Handleiding CAR II, versie 5.0 worden 5 wegtypen onderscheiden, te weten:
1. weg door open terrein, incidenteel gebouwen of bomen binnen een straal van 100 meter;
2. basistype, alle wegen anders dan type 1, 3a, 3b of 4;
3a. beide zijden van de weg bebouwing, afstand wegas-gevel is kleiner dan 3 maal de hoogte van de bebouwing, maar groter dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing;
3b. beide zijden van de weg bebouwing, afstand wegas-gevel is kleiner dan 1,5 maal de hoogte van de bebouwing (street canyon),
4. eenzijdige bebouwing, weg met aan één zijde min of meer aaneengesloten bebouwing op een afstand van minder dan 3 maal de hoogte van de bebouwing.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het door verweerder overgelegde ‘profiel van de Koppeling ter hoogte van het Getronicsgebouw (doorsnede C-C).’ De rechtbank heeft geconstateerd dat na realisatie van het kantoorgebouw van Getronics er sprake zal zijn van bebouwing met een hoogte van circa 14 meter boven de hoogte van het wegdek. Die hoogte afgezet tegen de afstand tussen de wegas en de bebouwing resulteert in een verhouding die kleiner is dan 3. Indien evenwel eenzelfde berekening wordt toegepast met betrekking tot de aan de overzijde van het kantoorgebouw gelegen woningen dan wel geluidwal, zal dat resulteren in een verhouding van meer dan drie. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat 10 meter ten zuidwesten van het door verweerder getoonde profiel, de afstanden tot de weg kleiner zijn, merkt de rechtbank op dat eisers hun stelling niet hebben onderbouwd. Eisers hebben ook aangevoerd dat wanneer wegtype 3a of b niet van toepassing is, wegtype 4 moet worden gehanteerd aangezien wegtype 4 zal leiden tot een geringere onderschatting van de effecten op de luchtkwaliteit dan wegtype 2. Ter zitting heeft deskundige B. Hoekstra daarover verklaard dat wegtype 4 geen goede benadering is van de situatie aangezien er geen sprake is van eenzijdige bebouwing en gebruik van wegtype 2 dan aangewezen is. De rechtbank heeft, te meer nu eisers hun standpunt niet hebben onderbouwd door een rapport van een deskundige, geen aanknopingspunten om daaraan te twijfelen.
Door eisers is voorts nog aangevoerd dat de door verweerder gekozen rekenafstanden ten opzichte van de rijweg te groot zouden zijn. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de door verweerder gehanteerde uitgangspunten met betrekking tot de gekozen rekenafstanden strijdig zijn te achten met de Meetregeling luchtkwaliteit 2005.
De rechtbank merkt in dat verband op dat in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Meetregeling luchtkwaliteit 2005 is bepaald dat meetpunten zodanig moeten worden geplaatst dat bij de meting van zwevende deeltjes op plaatsen die sterk door het verkeer worden beïnvloed, de afstand van het meetpunt tot het midden van de dichtst bij gelegen rijbaan ten minste vier meter bedraagt. Met 'dichtst bij gelegen rijbaan' in deze bepaling wordt naar het oordeel van de rechtbank, zulks in navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 18 januari 2006 (zie: LJN AU9843 en AB 2006, 330) gedoeld op de dichtstbijzijnde rijstrook van een weghelft.
Dat verweerder bij de bepaling van de meetafstand in het onderhavige geval rekening heeft gehouden met de situering van de woningen aan de [adres] ten opzichte van de rijbaan en daarbij de daartussen liggende brede berm niet in beschouwing heeft genomen, acht de rechtbank alleszins redelijk, nu op die plek in beginsel geen personen kunnen komen en derhalve niet aan (mogelijke) overschrijdingen van luchtverontreinigende stoffen zullen worden blootgesteld.
Met betrekking tot de door verweerder gehanteerde bomenfactor overweegt de rechtbank het volgende. In de Handleiding CAR II, versie 5.0, worden drie bomenfactoren onderscheiden, te weten:
1 hier en daar bomen of in het geheel niet;
1,25 één of meer rijen bomen met een onderlinge afstand van minder dan 15 meter met opening tussen de kronen;
1,5 de kronen raken elkaar en overspannen minstens een derde gedeelte van de straatbreedte.
Verweerder heeft zich bij het bepalen van de bomenfactor gebaseerd op de voorgenomen inrichting van de wegen en is op grond daarvan voor De Koppeling uitgekomen op de factor 1,25. De rechtbank is van oordeel dat door eisers geen argumenten zijn aangedragen die de onjuistheid van de door verweerder toegepaste bomenfactor aantonen. Met name is niet gebleken dat van volgroeide bomen dient te worden uitgegaan.
Eisers hebben zich verder op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte de concentratie zeezout in mindering heeft gebracht op de concentratie zwevende deeltjes (PM10). De rechtbank deelt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt.
Artikel 5, eerste lid, van het Blk 2005 bepaalt dat concentraties die zich van nature in de lucht bevinden en die niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens, bij het beoordelen van de luchtkwaliteit voor zwevende deeltjes (PM10) buiten beschouwing worden gelaten.
De rechtbank is van oordeel dat deze in artikel 5 van het Blk 2005 opgenomen mogelijkheid niet in strijd is met Richtlijn 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999. Zoals ook in de toelichting bij artikel 5 van het Blk 2005 is aangegeven is in de richtlijn het begrip ‘‘verontreinigende stof’’ centraal gesteld. Daaronder dient volgens de richtlijn te worden verstaan: ‘een stof die direct of indirect door de mens in de lucht wordt gebracht en die schadelijke gevolgen kan hebben voor de gezondheid van de mens of het milieu in zijn geheel’. Aangezien zeezout niet als een verontreinigende stof als hiervoor bedoeld kan worden aangemerkt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht een zogenoemde zeezoutcorrectie toegepast op het aantal overschrijdingsdagen van de vierentwintig-uurgemiddelde grenswaarde zwevende deeltjes (PM10).
Met betrekking tot de invloed van het scheepvaartverkeer over het Amsterdam-Rijnkanaal op de luchtkwaliteit overweegt de rechtbank dat deskundige B. Hoekstra ter zitting van
1 september 2006 heeft toegelicht dat met de invloed van het scheepvaartverkeer rekening is gehouden bij de gehanteerde achtergrondconcentratie.
Mede gezien de in het rapport van Goudappel Coffeng van 20 oktober 2006 gehanteerde berekeningen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van overschrijding van de in het Blk 2005 neergelegde normen.
2.9 Met betrekking tot de door verweerder gehanteerde parkeernorm overweegt de rechtbank nog als volgt.
Verweerder hanteert voor kantoorlocaties in De Schaft/De Koppeling een parkeernorm van 2 plaatsen per 125 m², hetgeen neerkomt op 1,6 parkeerplaatsen per 100 m². In publicatie 182 hanteert het CROW als richtlijn 1,5 à 2,0 parkeerplaats per 100 m². Nu 500 parkeerplaatsen worden aangelegd, terwijl er slechts 464 volgens de gemeentelijke normen aanwezig moeten zijn, wordt naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de gestelde parkeernorm. De rechtbank merkt daarbij op, zulks in navolging van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 september 2006, LJN: AY5874, dat verweerder gebruik mag maken van eigen parkeernormen. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerders parkeernormen op onjuiste uitgangspunten zijn gebaseerd.
2.10 Hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.11 De rechtbank beslist als volgt.
Beslissing
De rechtbank Utrecht,
3.1 verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna als voorzitter en mr. drs. R. in 't Veld en
mr. R.P. den Otter als leden en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2007.
De griffier: De voorzitter van de meervoudige kamer:
W.B. Lakeman mr. S. Wijna
Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.
Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.