ECLI:NL:RBUTR:2008:BC4415
Rechtbank Utrecht
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Geen onrechtmatige naamoverdracht door Pensioenfonds en PGGM ondanks bezwaren verzekeraars
Het Pensioenfonds PGGM heeft per 1 januari 2008 haar naam gewijzigd in Pensioenfonds Zorg en Welzijn en haar uitvoeringsorganisatie verkocht aan PGGM Coöperatie, die de naam PGGM voortzet voor commerciële verzekeringsproducten. De Bond van Verzekeraars stelde dat dit oneigenlijk gebruik van de naam PGGM is en dat dit in strijd is met artikel 5 van Pro de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (Wet Bpf) en de Handelsnaamwet.
De rechtbank overwoog dat de naamoverdracht een marktconforme prijs betrof, vastgesteld met deskundige rapporten en onder toezicht van De Nederlandsche Bank en de Belastingdienst. De toezichthouder zelf oordeelde dat er geen overtreding van artikel 5 Wet Pro Bpf was. De rechtbank vond dat de vorderingen van de verzekeraars slechts toewijsbaar zouden zijn indien met hoge mate van waarschijnlijkheid in een bodemprocedure hetzelfde oordeel zou volgen.
De rechtbank stelde dat artikel 5 Wet Pro Bpf zich richt op het voorkomen van gelijktijdig gebruik van de naam door pensioenfonds en derden, maar niet het gebruik door opvolgende partijen verbiedt. Ook was niet aannemelijk dat het publiek door het gebruik van de naam PGGM door PGGM Coöperatie misleid zou worden, mede omdat de uitvoeringsorganisatie en naam samen waren overgedragen.
De stelling van oneerlijke concurrentie werd verworpen omdat PGGM een marktconforme prijs voor de goodwill had betaald en het gebruik van klantgegevens wettelijk beperkt is. Misleidende reclame en schending van de Handelsnaamwet werden eveneens afgewezen. De verzekeraars werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van de verzekeraars tot staking van het gebruik van de naam PGGM worden afgewezen.