ECLI:NL:RBUTR:2008:BD0247
Rechtbank Utrecht
- Voorlopige voorziening
- H. Gorter
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging bijstandsuitkering wegens ongewenstverklaring
Verzoekers, die hun verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd waren kwijtgeraakt door intrekking op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en vervolgens ongewenst waren verklaard, kregen te maken met beëindiging van hun bijstandsuitkering door de gemeente Baarn. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze beëindiging en vroegen om een voorlopige voorziening om hun uitzetting te voorkomen en hun uitkering te behouden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de beëindiging van de uitkering terecht was op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), omdat verzoekers niet meer rechtmatig in Nederland verbleven. Tegelijkertijd werd vastgesteld dat de procedure rondom de ongewenstverklaring en de intrekking van de verblijfsvergunningen gescheiden trajecten vormden, waarbij de rechtmatigheid van de intrekking nog niet definitief was vastgesteld.
Gezien de ernstige gevolgen voor verzoekers, waaronder het ontbreken van inkomsten en dreigende huisuitzetting, en het voorlopige oordeel dat het bezwaar tegen de ongewenstverklaring een redelijke kans van slagen heeft, werd het besluit tot beëindiging van de uitkering geschorst tot vier weken na de beslissing op het bezwaar. Tevens werden de proceskosten ten laste van de gemeente Baarn gelegd.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering wordt geschorst tot vier weken na beslissing op bezwaar en de gemeente Baarn wordt veroordeeld in de proceskosten.