ECLI:NL:CRVB:2005:AT5164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering na intrekking vluchtelingentoelating en ongewenstverklaring
Appellant, van Afghaanse nationaliteit, kreeg vanaf 11 januari 2000 een bijstandsuitkering toegekend. De toelating als vluchteling werd op 4 januari 2001 ingetrokken en appellant werd ongewenst verklaard. Appellant maakte tijdig bezwaar tegen deze besluiten. De ongewenstverklaring werd later opgeheven, maar de gemeente beëindigde de bijstandsuitkering per 29 maart 2001.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de beëindiging van de bijstand ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant op grond van artikel 7 van Pro de Algemene bijstandswet en het Besluit gelijkstelling met een Nederlander gelijkgesteld moet worden omdat hij tijdig bezwaar maakte tegen de intrekking van zijn vluchtelingentoelating.
De Raad stelde vast dat de gemeente het besluit tot beëindiging van de bijstand in strijd met de wet nam en vernietigde het besluit. De gemeente werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering is vernietigd omdat appellant tijdig bezwaar maakte en daarmee gelijkgesteld moet worden aan een Nederlander.