ECLI:NL:RBUTR:2009:BI3568
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Ch.E. Bethlem
- E.A. Messer
- C.A.M. van Straalen-Coumou
- Rechtspraak.nl
Herberekening overlijdensrisicopremie Koersplanovereenkomsten 1991-1998 wegens ontbreken wilsovereenstemming
De rechtbank Utrecht behandelde het geschil tussen Stichting Koersplandewegkwijt en Spaarbeleg (thans Aegon) over de hoogte van de overlijdensrisicopremie in Koersplanovereenkomsten afgesloten tussen 1989 en 1998. De rechtbank concludeerde dat voor de jaren 1989 en 1990 geen eenduidige wilsovereenstemming bestond over het inhouden van een overlijdensrisicopremie, mede doordat sommige deelnemers een contractuele grondslag hadden en anderen niet.
Voor de jaren 1991 tot en met 1998 werd vastgesteld dat wel een contractuele grondslag bestond, maar geen overeenstemming over de hoogte van de premie. Op verzoek van partijen stelde de rechtbank de premie vast aan de hand van de aanbeveling van de Ombudsman Financiële Dienstverlening uit 2008, waarbij de premie niet hoger mag zijn dan die van een vergelijkbare zelfstandige overlijdensrisicoverzekering.
Koersplandewegkwijt had een voorbeeld van een andere verzekering aangevoerd met een premie van 1,66%, terwijl Spaarbeleg een premie van 11,19% hanteerde. Spaarbeleg kon deze berekening onvoldoende weerleggen en gaf onvoldoende inzicht in de productinrichting. De rechtbank stelde daarom de premie vast op 1,66% van de inleg en veroordeelde Spaarbeleg tot herberekening en nakoming van de Koersplanovereenkomsten op deze basis.
De vordering tot verklaring van misleiding werd afgewezen omdat de premievaststelling de mogelijke misleiding wegneemt. De rechtbank wees ook de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten af wegens onvoldoende specificatie. Spaarbeleg werd veroordeeld in de proceskosten van Koersplandewegkwijt. Het vonnis geldt alleen tussen partijen en heeft geen gezag van gewijsde voor individuele deelnemers.
Uitkomst: De rechtbank stelt de overlijdensrisicopremie voor Koersplanovereenkomsten 1991-1998 vast op 1,66% van de inleg en veroordeelt Spaarbeleg tot herberekening en nakoming op die basis.