ECLI:NL:RBUTR:2009:BK1490
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen tot opheffing en wijziging erfdienstbaarheid van weg
De zaak betreft een geschil over een erfdienstbaarheid van weg gevestigd in 1973 ten behoeve van een garage op het heersende erf en ten laste van het dienende erf. De eigenaar van het dienende erf vordert opheffing of wijziging van deze erfdienstbaarheid, stellende dat het pad de afgelopen jaren niet is gebruikt voor personenauto's en dat het gebruik met tractoren niet is toegestaan.
De rechtbank overweegt dat de inhoud van de erfdienstbaarheid wordt bepaald door de akte van vestiging en plaatselijke gewoonte. De akte vermeldt geen beperking tot personenauto's, en het pad is geschikt voor transportmiddelen zoals tractoren. Mondelinge afspraken tussen eerdere eigenaren kunnen niet worden betrokken bij de uitleg, omdat partijen daarbij niet betrokken waren.
De primaire vordering tot opheffing op grond van artikel 5:79 BW Pro wordt afgewezen omdat de eigenaar van het heersende erf nog een redelijk belang heeft bij de erfdienstbaarheid. De subsidiaire vordering tot opheffing op grond van artikel 5:78 BW Pro wordt eveneens afgewezen vanwege het overgangsrecht. De vordering tot wijziging van de erfdienstbaarheid wordt afgewezen wegens het ontbreken van onvoorziene omstandigheden. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van onrechtmatige hinder of blokkering van het pad.
De vorderingen in conventie en reconventie worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot opheffing en wijziging van de erfdienstbaarheid af en compenseert de proceskosten.