ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4682
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Arbeidsovereenkomst en kennelijk onredelijke opzegging bij onderbreking dienstverband
Werknemer was circa 18 jaar met een onderbreking van ruim een jaar in dienst van werkgever. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst ontving hij een beëindigingsvergoeding berekend over de diensttijd na de onderbreking. Werknemer stelde dat ook tijdens de onderbreking een arbeidsovereenkomst bestond, waardoor de opzegtermijn te kort was en het ontslag kennelijk onredelijk.
De kantonrechter oordeelde dat tijdens de onderbreking geen arbeidsovereenkomst bestond omdat er geen verplichting tot arbeid, loonbetaling of gezagsverhouding was. De relatie werd gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. De opzegging was daarom niet onregelmatig.
Echter, vanwege de omstandigheden waaronder de onderbreking plaatsvond en het feit dat werknemer na de onderbreking weer in dienst trad, had werkgever de hardheidsclausule in het sociaal plan moeten toepassen. Het nalaten hiervan maakte de opzegging kennelijk onredelijk, waarop een aanvullende schadevergoeding werd toegekend.
De rechtbank wees de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten af en compenseerde de proceskosten, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Werkgever moet werknemer een aanvullende schadevergoeding van €27.000 betalen wegens kennelijk onredelijke toepassing van het sociaal plan.