ECLI:NL:RBUTR:2009:BM1863

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
4 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
247091 / HA ZA 08-757
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253k BWArt. 1:253i BWArt. 1:349 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Procedure over machtiging voor vertegenwoordiging minderjarige in aansprakelijkheidszaak

In deze civiele procedure vorderen eisers namens hun minderjarige zoon schadevergoeding van de zoon van gedaagden wegens een incident op school waarbij ernstig letsel werd toegebracht. De zoon van gedaagden werd door de kinderrechter veroordeeld voor mishandeling, maar deels vrijgesproken in hoger beroep.

De procedure omvat een hoofdzaak en twee vrijwaringszaken tegen Fortis ASR Schadeverzekering N.V. en Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Utrecht. De rechtbank stelt vast dat zowel eisers als gedaagden als wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige zonen een machtiging van de kantonrechter nodig hebben om namens hun zoon te procederen. Deze machtiging ontbreekt bij beide partijen.

De rechtbank wijst erop dat het ontbreken van de machtiging niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid leidt, omdat deze nog tijdens het geding kan worden verkregen. Daarom worden partijen in de gelegenheid gesteld de machtiging te verkrijgen en over te leggen. De verdere behandeling van de zaak wordt aangehouden totdat deze formaliteit is vervuld.

Het vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en op 4 november 2009 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan om partijen in de gelegenheid te stellen een machtiging te verkrijgen om namens minderjarige te procederen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK UTRECHT
247091 / HA ZA 08-757 4 november 2009
Sector handels- en familierecht
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 4 november 2009
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 247091 / HA ZA 08-757 van
1. [eiser sub 1]
in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van zijn zoon [zoon A],
wonende te Utrecht,
2. [eiseres sub 2]
in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van haar zoon [zoon A],
wonende te Utrecht,
eisers,
advocaat: mr. J.L.A. van Eeuwijk,
tegen
1. [gedaagde sub 1]
in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van zijn zoon [zoon B],
wonende te Utrecht,
2. [gedaagde sub 2]
in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van haar zoon [zoon B],
wonende te Utrecht,
gedaagden,
advocaat: mr. R. van Veen,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 254860 / HA ZA 08-1883 van247091 / HA ZA 08-757 en 254860 / HA ZA 08-1883
1. [gedaagde sub 1]
in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van zijn zoon [zoon B],
wonende te Utrecht,
2. [gedaagde sub 2]
in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van haar zoon [zoon B],
wonende te Utrecht,
eisers,
advocaat: mr. R. van Veen,
tegen
de naamloze vennootschap
FORTIS ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde,
advocaat: mr. W.A.M. Rupert,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 254861 / HA ZA 08-1884 van247091 / HA ZA 08-757 en 254860 / HA ZA 08-1883
1. [gedaagde sub 1]
in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van zijn zoon [zoon B],
wonende te Utrecht,
2. [gedaagde sub 2]
in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van haar zoon [zoon B],
wonende te Utrecht,
eisers,
advocaat: mr. R. van Veen,
tegen
de stichting
STICHTING OPENBAAR VOORTGEZET ONDERWIJS UTRECHT,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde,
advocaat: mr. E.H. de Jonge-Wiemans.
Partijen zullen hierna respectievelijk [eisers], [gedaagden], Fortis en de Stichting genoemd worden.
1. De procedure in de hoofdzaak
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
• het tussenvonnis van 19 november 2009;
• het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2009;
• de brief van [eisers], mede namens [gedaagden], van 26 augustus 2009 met producties.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De procedure in de vrijwaringszaak met zaaknummer 254860
2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
• het tussenvonnis van 19 november 2009;
• het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2009.
2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De procedure in de vrijwaringszaak met zaaknummer 254861
3.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
• het tussenvonnis van 10 december 2008;
• het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2009.
3.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
4. Feiten
4.1. De zoon van [gedaagden], [zoon B] (hierna: [zoon B]), was leerling op de toenmalige Dr. Vliegenthartschool in Utrecht. Dit is een school voor praktijkonderwijs. De zoon van [eisers], [zoon A] (hierna: [zoon A]), is nog steeds leerling op deze school.
4.2. Op 12 februari 2007, toen de leerlingen na de pauze in de richting van hun klaslokalen liepen, heeft [zoon B] (toen 16 jaar) in het schoolgebouw de pet van [zoon A] (destijds 13 jaar) afgepakt, waarna tussen beiden ruzie is ontstaan. Hierbij is [zoon A] door een ruit gegaan, waarbij hij ernstig letsel aan een oog heeft opgelopen waardoor hij aan dat oog blind is. De school heeft [zoon B] eerst geschorst. Na de schorsing is hij van school gestuurd.
4.3. Op 13 februari 2007 heeft de vader van [zoon A] namens zijn zoon aangifte wegens zware mishandeling gedaan bij de politie in Utrecht.
4.4. Nadat [zoon B] door de kinderrechter in de rechtbank Utrecht bij vonnis van 5 juni 2008 is veroordeeld wegens mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, is hij op 8 april 2009 in hoger beroep gedeeltelijk vrijgesproken en veroordeeld wegens mishandeling. Hierbij heeft het hof aangenomen “dat aangever vervolgens met verdachte door de ruit is gegaan ten gevolge van gezamenlijk duwen en trekken.”
4.5. [gedaagden] is bij Fortis verzekerd voor wettelijke aansprakelijkheid. Op 10 april 2008 heeft de raadsman van [gedaagden] een schadeformulier samen met het proces-verbaal van politie aan Fortis gestuurd.
4.6. Bij brief van 5 juni 2008 heeft Fortis bericht dat geen dekking wordt verleend voor de aansprakelijkheid van [gedaagden]
5. Het geschil
in de hoofdzaak
5.1. [eisers] vordert samengevat:
• veroordeling van [zoon B] tot betaling van EUR 23.250,- ter zake van materiële schade en smartengeld, vermeerderd met rente vanaf 12 februari 2007 tot de dag van voldoening,
• een verklaring voor recht dat [zoon B] aan [zoon A] schade in de vorm van verlies aan verdienvermogen en schade vanwege vermindering van zelfwerkzaamheid dient te vergoeden, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 februari 2007,
• veroordeling van [zoon B] in de kosten.
5.2. [gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak met zaaknummer 254860
5.3. [gedaagden] vordert dat Fortis wordt veroordeeld om aan [gedaagden] te betalen al hetgeen waartoe hij jegens [eisers] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van Fortis in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.
5.4. Fortis voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak met zaaknummer 254861
5.5. [gedaagden] vordert dat de Stichting wordt veroordeeld om aan [gedaagden] te betalen al hetgeen waartoe hij jegens [eisers] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van de Stichting in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.
5.6. De Stichting voert primair als verweer aan dat [gedaagden] op grond van artikel 1:253 k in samenhang met artikel 1:349 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) niet ontvankelijk is, omdat hij niet beschikt over de toestemming van de kantonrechter om als wettelijke vertegenwoordiger van zijn zoon [zoon B] in rechte op te treden.
5.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
6. De beoordeling
in de hoofdzaak en in beide vrijwaringszaken
6.1. Aangezien de onderhavige zaak het vermogensbeheer van [zoon B] betreft, is de rechtbank met de Stichting van oordeel dat [gedaagden] op grond van artikel 1:349 in Pro samenhang met de artikelen 1:253 k en 1:253i BW de machtiging van de kantonrechter nodig heeft als hij namens [zoon B] als eiser in rechte optreedt. Ter zitting heeft de raadsman van [gedaagden] meegedeeld dat deze machtiging ontbreekt. Anders dan de Stichting aanvoert, leidt het ontbreken van een machtiging niet zonder meer tot niet ontvankelijkheid van [gedaagden], omdat een machtiging ook nog tijdens het geding kan worden verleend (zie onder meer HR 20 november 1987, NJ 1988, 279).
6.2. Hieraan voegt de rechtbank ambtshalve het volgende toe. Uit hetgeen de raadsman van [gedaagden] tijdens de comparitie heeft verklaard, leidt de rechtbank af dat [gedaagden] evenmin over een machtiging beschikt in de vrijwaringszaak tussen hem en Fortis. In de hoofdzaak dient ook [eisers] als eiser op grond van voornoemde artikelen over een machtiging te beschikken. Gesteld noch gebleken is echter dat [eisers] over een machtiging beschikt.
6.3. De rechtbank zal [eisers] en [gedaagden] in de gelegenheid stellen voornoemde machtigingen te verkrijgen en deze bij akte in het geding te brengen.
7. De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
7.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 februari 2010 voor het nemen van een akte door [eisers] over hetgeen is vermeld in r.o. ?6.3,
7.2. houdt iedere verdere beslissing aan,
in beide zaken in vrijwaring
7.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 februari 2010 voor het nemen van een akte door [gedaagden] over hetgeen is vermeld in r.o. ?6.3,
7.4. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2009. MaH