ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0846
Rechtbank Utrecht
- Voorlopige voorziening
- P.K. Nihot
- M.M. van Luijk-Salomons
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tijdelijke opvang uitgeprocedeerde asielzoekster en minderjarig kind
Verzoekster, een uitgeprocedeerde asielzoekster die in november 2006 Nederland binnenkwam, heeft samen met haar minderjarige dochter een aanvraag gedaan voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet rechtmatig in Nederland verblijven volgens artikel 8 van Pro de WMO en de Vreemdelingenwet 2000. Verzoekster beroept zich op het Herziene Europees Sociaal Handvest (ESH), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Vrouwenrechtenverdrag en het Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).
De voorzieningenrechter overweegt dat hoewel uitspraken van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) niet bindend zijn, deze wel gezaghebbend zijn en bij de beoordeling van nationale besluiten moeten worden betrokken. De uitspraak van het ECSR van 20 oktober 2009 benadrukt het recht op noodopvang voor kinderen, ongeacht hun verblijfstatus, vanwege de bescherming van menselijke waardigheid en het voorkomen van dakloosheid.
Gezien de kwetsbare situatie van de minderjarige dochter met gezondheidsproblemen en de ernstige bedreiging van het privé- en gezinsleven door dakloosheid, acht de voorzieningenrechter tijdelijke opvang noodzakelijk. De voorlopige voorziening bepaalt dat verweerder vanaf 6 april 2010 tot zes weken na de beslissing op bezwaar opvang moet bieden. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en tijdelijke opvang wordt geboden aan verzoekster en haar minderjarige dochter.