ECLI:NL:RBUTR:2010:BM2464
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onthouden geslachtsnaamkeuze aan ouders strijdig met antidiscriminatieverbod
De zaak betreft een verzoek tot verbetering van de geboorteakte van een kind geboren in 2008, waarbij de geslachtsnaam van de moeder was opgenomen omdat de ouders bij de aangifte geen keuze konden maken, terwijl zij gehuwd waren. Na ontdekking van het huwelijk werd verzocht de akte te verbeteren door de vadergegevens op te nemen en de geslachtsnaam te wijzigen naar de namenreeks van de vader, wat de ouders niet wensten.
De rechtbank stelt vast dat het wettelijke systeem ouders ten tijde van de geboorte geen keuze bood om de geslachtsnaam van het kind te bepalen als zij gehuwd waren. Dit leidt tot ongelijke behandeling tussen man en vrouw en tussen gehuwden en ongehuwden, omdat ongehuwde ouders wel een keuze kunnen maken. Dit is in strijd met het antidiscriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro in samenhang met artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank past daarom een verdragsconforme uitleg toe op artikel 1:5 lid 4 en Pro 5 BW, waarbij ouders alsnog de mogelijkheid krijgen om binnen twee jaar na de geboorte een geslachtsnaamkeuze te maken, overeenkomstig artikel 5b onder e van de Wet Conflictenrecht Namen. De behandeling wordt aangehouden om ouders deze mogelijkheid te bieden.
De uitspraak onderstreept het belang van gelijke behandeling en het recht van ouders om de naam van hun kind te kiezen, ook als het wettelijke systeem dit aanvankelijk niet toestond. De rechtbank volgt hiermee een humanitaire en rechtsbeschermende benadering, ondanks eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad die dit aan de wetgever overliet.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat ouders alsnog de mogelijkheid krijgen om binnen twee jaar na de geboorte een geslachtsnaamkeuze te maken en houdt de zaak aan.